DS. C. HARINCK JUBILEERT: 50 JAAR DWALINGEN
DS. C. HARINCK BESTRIJDT DE DWALINGEN MET ANDERE DWALINGEN  Klik hier       
Plaats in winkelmandjeMandje

"Indien nu de blinde den blinde leidt, zo zullen zij beiden in den gracht vallen", Matth. 15:14.


------------------------------------------------------

Het moet eens afgelopen zijn met die poppenkast van oudvader-citaat-boeken, een afgoderij waaraan ook ds. C. Harinck zich schuldig maakt. Gods Woord bewijst zichzelf en heeft geen oudvader-autoriteit nodig.

---------------------------------------------------

Inleidend voorwoord op 50 jaar dwalingen van jubilerende ds. C. Harinck
Ondergetekende is persoonlijk getuige geweest dat ds. C. Harinck met het grootste gemak hypocrieten de hemel inzegent, op grond van een opengeslagen Bijbel. Jaren geleden werd een overleden GG-lid uit mijn familiekring door ds. C. Harinck begraven. Ouderling K. van GG-gemeente te B. beweerde dat de overleden vrouw bekeerd was, omdat zij altijd een opengeslagen Bijbel op de tafel had liggen. Tijdens de begrafenisplechtigheid vroeg ik aan ouderling P.B. van genoemde gemeente of een opengeslagen Bijbel de grond was waarmee belijders van deze gemeente de hemel in geoordeeld(!) werden. De oude P.B. ontkende het en zei dat het getuigenis van ouderling K. zijn instemming niet had. Ik kwam destijds veel bij mijn bekeerde tante M. die vlak naast de overleden vrouw woonde, maar haar ervaring met deze overleden vrouw stond haaks op het getuigenis van ouderling K. en haaks op het vals-klakkeloos overgenomen getuigenis van ds. C. Harinck die de overleden vrouw de hemel inprees, terwijl tante M. niets dan vijandschap van haar had ondervonden. De houding van ds. C. Harinck tijdens genoemde begrafenisplechtigheid waarop hij een onbekeerde vrouw de hemel in oordeelde(!), sluit naadloos aan bij zijn theologie, waardoor hypocrieten zich gestijfd voelen in hun schijngeloof en geheel buiten het recht om zich de zaligheid toe-eigenen, zonder de Goddelijke schenking van de vergeving der zonden. - GPPB.

Lees verder via de Klik hier link over de fundamentele dwalingen van ds. C. Harinck, waarmee hij de GG-dwalingen denkt te bestrijden. In het kader van de toe-eigening des heils is ds. C. Harinck net zo'n dwaallicht als ds. A. Moerkerken die hij bestrijdt.

-------------------------------------------------------------------------------



Ds. C. Harinck 50 jaar predikant in Geref. Gemeenten
26-09-2012 08:34 | gewijzigd 26-09-2012 16:16 | A. de Heer

Bronlink:
http://www.refdag.nl/kerkplein/kerknieuws/ds_c_harinck_50_jaar_predikant_in_geref_gemeenten_1_677712

------------------------------------------------

De toeleidende weg -van ds. Harinck- tot Christus

DIGIBRON Publicatiedatum: 20 september 2001

"Zielenvragen rond de toeleidende weg"

Ds. C. Harinck: Laten we oppassen voor slechts één bekeringsmodel

De discussie die de laatste jaren binnen de gereformeerde gezindte is gevoerd over de standen in het geloof is volgens ds. C. Harinck funest geweest. Hij betreurt het dat er "twee uitersten" zijn ontstaan, terwijl gemeenteleden zo'n behoefte hebben aan evenwicht. "Het is mijn vaste overtuiging dat het geloof standen kent en dat er wel degelijk sprake is van een toeleidende weg tot Christus. Maar we moeten oppassen dat we niet slechts één model hanteren", aldus ds. C. Harinck.

Bronlink:
http://www.digibron.nl/search/share.jsp?uid=00000000012dcf39c3b7e318c68e16d5&sourceid=1011

------------------------------------------------------

COMMENTAAR
Het feit dat ds. C. Harinck al 50 jaar in het ambt staat en nog steeds niet achter het geheim is van de Schriftuurlijke rechtvaardigmakingsleer en de bevinding ervan, geeft te denken. Wat de toe-eigening van het heil betreft wijst ds. Harinck (terecht) bepaalde scheefgroei aan binnen zijn eigen gelederen, maar hij ontkracht hetgeen hij zelf schrijft, omdat hij de geijkte dwalingen met andere dwalingen bestrijdt.

Het bewijs hiervan kunt u vinden in het boekje:

"CONSTERNATIE IN DE CONSISTORIE"

(Klik op de Klik hier link ter inzage van het genoemde boekje in PDF-bestand).


GPPB.

DE KARIKATUREN DIE C. HARINCK MAAKT OVER DE RECHTVAARDIGING IN DE VIERSCHAAR VAN HET GEWETEN  Klik hier       
Plaats in winkelmandjeMandje
DIGIBRON-publicatiedatum: 8 september 1999

"Niet vierschaar maar geloof rechtvaardigt"
Ds. Harinck ziet verzegeling in geweten als bevestiging

Lees het volledige artikel via de Klik hier link

GARDEREN - "Ieder die in een waar geloof Christus omhelst, is rechtvaardig voor God. Dat geloof is het geloof van een doemwaardige. De rechtvaardiging in het hof van het geweten is geen tweede rechtvaardiging of een aparte "vierschaarbeleving", maar een bekendmaking van de rechtvaardiging door het geloof aan ons hart en geweten door het getuigenis van de Heilige Geest." Dat zei ds. C. Harinck gisteren (7 Sept. 1999) in Garderen tijdens de tweede dag van de Haamstede-conferentie.

GPPB.: Elk waar kind van God weet dat hij gerechtvaardigd is, vergeving van zonden (HC 7) en enige zekerheid van zijn zaligheid heeft en dat door het geloof. Harinck leert een onbijbelse objectieve rechtvaardiging waarvan de gerechtvaardigde zondaar (nog) geen kennis heeft. De "bekendmaking van de rechtvaardiging" die Harinck leert, wordt nergens in de Schrift geleerd, aangezien al Gods kinderen bewust en door het geloof gerechtvaardigd zijn in het uur van de wedergeboorte door de vrijspraak des Zoons (Joh. 5:25) in de vergeving van al hun zonden. DAARIN worden zij keer op keer bevestigd! Harinck ergert bovendien de kleinen in Christus, die daadwerkelijk in Christus geloven en dat kan nooit zonder de enige troost van de vergeving der zonden en de zielszaligende geloofskennis het eigendom van Christus te zijn.

De predikant van de gereformeerde gemeente van Houten sprak over "de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie". Het beeld van de vierschaar werd volgens hem door de nadere reformatoren en de puriteinen gebruikt als een "illustratie" van de rechtvaardigmaking, niet als een ervaring. In de hof van het geweten ontvangt de zondaar die in Christus gelooft de vrijspraak van zijn zonden en schuld.

GPPB.: De rechtvaardiging in de vierschaar is geen illustratie, ook geen buitenbijbelse visionaire gebeurtenis, maar door Wood en Geest geloofswerkelijkheid, zoals Hanna ervan getuigt in 1 Samuel 2:6. Van Hanna's getuigenis moet Harinck niets hebben, want daartegen zet hij zich af en maakt Hanna's getuigenis zelfs bespottelijk met karikaturen!

Ds. Harinck constateerde echter in de gezelschappen het ontstaan van een werkelijke vierschaarbeleving waarin visionair de partijen van rechter, aanklager enzovoorts gezien en gehoord werden. "Wat een beeld en een illustratie was of uitgestrekt werd over de gehele bekeringsgang, werd nu samengeperst in één bijzondere vierschaarervaring." Ds. Harinck wees deze gedachte af als onbijbels.

GPPB.: Dat er gezelschapsontsporingen zijn (geweest) is maar al te waar, aangezien er van een visionaire vierschaarbeleving karikaturen gemaakt worden/werden, inclusief met hoorbare stemmen, maar Harinck gooit het kind met het badwater weg, aangezien de visionaire vierschaarbeleving van Jesaja (Jes. 6) zuiver bijbels is, hoewel niet exemplarisch wat het visionaire aangaat. Bij Jesaja is er absoluut geen sprake van een illustratie, maar van geloofswerkelijkheid! Genoemde vierschaar-ervaring van Jesaja wordt door Harinck echter valselijk afgedaan als een onbijbelse gedachte, terwijl ook Jesaja 6 het onfeilbare Woord van God is en waarin Jesaja vergeving der zonden ontving door WOORD EN GEEST, net als bij elk kind van God. Wie maakt hier karikaturen? De Heilige Schrift of ds. Harinck? Harinck! en hij doet publiek aan Schriftkritiek!

Evenwel, zo vervolgde de predikant uit Houten, is er een onderscheid tussen de rechtvaardiging door het geloof en de zekerheid, de troost en de genieting ervan. De volle omhelzing van de vrijspraak van het Evangelie is bij allen niet even sterk en vrijmoedig. "Daarom moeten wij naar de oorzaken van dit uitblijven zoeken en meer sterven aan de Wet der werken en geoefend worden in het geloof dat zich alleen op Christus verlaat."

GPPB.: Hier komt de dwaalpaap uit de mouw, aangezien elk waar kind van God enige zekerheid heeft van zijn zaligheid en de daadwerkelijke vrede met God kent en geniet! Bovendien maakt Harinck van het sterven aan de wet een proces die hij nota bene in het kader van het genadeleven plaatst, terwijl elk kind van God door de wet aan de wet gestorven IS (Gal. 2:19). Wat Paulus leert in Galaten 2:19 geldt voor elk kind van God en is een toetssteen van het ware geloof.

Ds. Harinck betreurde het dat de ervaring van een diepe afsnijding van alle werk en het ontvangen van de vrijspraak vaak verward wordt met de rechtvaardiging door het geloof en dat die vervolgens ook dwingend opgelegd wordt aan anderen. "Een bepaalde bevinding vervangt dan de bijbelse rechvaardiging door het geloof. Indien wij iets anders van de zondaar eisen dan geloof dat zich aan Christus alleen vastgrijpt, ontnemen wij de verloren en hulpeloze zondaar alle hoop."

GPPB.: Diepe afsnijding?? Elk kind van God is afgesneden van de eerste Adam -de oude mens onder de wet- en ingeplant in de tweede Adam. Harinck suggereert dat de vrijspraak iets anders is dan de rechtvaardiging door het geloof, maar zo spreken en leren valse leraars, want door de vrijspraak des Zoons (Johannes 5:25) wordt de zondaar levendgemaakt en gerechtvaardigd en dat bewust door het geloof, want "die ze gehoord hebben, zullen leven". Gods Woord leert geen rechtvaardigmaking zonder de vrijspraak. God SPREEKT de goddelozen uit Rom. 5:6 in Christus vrij van schuld en straf door het Evangelie, en dat is de oorzaak dat zij in Christus geloven. Zoals bijv. geschiedt bij de verlamde man op het Woord van Christus: "Zoon, uw zonden zijn u vergeven". Op het machtswoord van Christus wordt de man van dood levend gemaakt en tegelijkertijd op de stem van de Zoon van God gerechtvaardigd door het geloof. Harinck maakt van de rechtvaardiging des geloofs een stiekeme en stilzwijgende gebeurtenis, maar de toegerekende gerechtigheid van Christus wordt alleen ontvangen zodra God de zondaar vrijspreekt van schuld en straf. Dat is het punt van de wedergeboorte (door water en Geest) en van de rechtvaardigmaking (door Woord en Geest).
Harinck leert het vastgrijpen van de zondaar aan Christus als criterium van de rechtvaardigmaking des geloofs. Daarmee leert hij een subtiele vrije-wils rechtvaardigmaking, aangezien niet de zondaar met zijn geloof, maar Christus de Eerste is, Die de dode zondaar grijpt en hem uit de dood opwekt (Filip. 3:12 - Joh. 5:25). Harinck leert de remonstrantse orde: geloof-rechtvaardigmaking. De bijbelse orde is: rechtvaardigmaking-geloof. De schenking van de vergeving der zonden gaat namelijk altijd nog aan de aanneming des geloofs vooraf. Volgens Harinck kan de zondaar zonder de daadwerkelijke Goddelijke schenking al geloven en aannemen. Johannes de Doper leert echter door de inspiratie des Geestes dat de mens geen ding kan aannemen tenzij het hem van 's hemelswege geschonken is (Joh. 3:27). Bovendien leert Christus dat niemand tot Hem komen kan zonder de trekking des Vaders, om nog maar niet te spreken over het feit dat de wedergeboorte en de rechtvaardigmaking des geloofs niet is gelegen in de trekking, maar in de opwekking des Zoons (Joh. 6:44).

Een halve eeuw (50 jaar) dwalingen die ds. C. Harinck op zijn naam heeft staan, zou toch het schaamrood naar zijn kaken moeten doen vliegen, maar, nee hoor, er wordt gewoon op los gejubileerd!

Gefeliciteerd? Nee, gecondoleerd!

VIERSCHAAR KARIKATUUR VAN DS. C. HARINCK  Klik hier       
Plaats in winkelmandjeMandje
"Doch al ware het ook, dat wij, of een engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde, buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Gelijk wij te voren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een Evangelie verkondigt, buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt", Gal. 1:8-9.

Onbijbelse stelling van ds. C. Harinck:
"De rechtvaardiging door het geloof is iets heel anders dan de rechtvaardiging in de vierschaar der consciëntie."

Inleiding
Op de website van de SRA is een lezing van ds. C. Harinck gepubliceerd over de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie, die gehouden is op de Haamstede Conferentie (Sept. 1999). In onze dagen is men massaal op zoek naar een prediking waarin het geloof wordt voorgesteld als een soort springplank voor de oude mens om de zaligheid aan te grijpen, zodat men met behoud van lijf en leden de reis ten hemel denkt te kunen maken. De genoemde lezing van ds. C. Harinck staat helaas ook in dit kader. Ds. Harinck leert namelijk de rechtvaardigmaking door het geloof buiten Galaten 2:19 om. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit soort lezingen als zoete broodjes over de kerkelijke toonbank gaan, want de oude mens blijft er volledig mee in 't leven en dat gaat er dan ook als koek in. Gods Woord leert echter dat de oude mens sterft, alvorens met Christus uit het graf op te staan in een nieuw leven door het geloof. (Voor volledige inzage van de lezing van ds. Harinck, klik met uw muis bovenaan dit artikel op: Klik hier).

Commentaar
Ds. Harinck heeft met zijn lezing duidelijkheid willen scheppen over de verwarring die er heerst over het leerstuk van de rechtvaardigmaking, maar aangezien zijn lezing doorspekt is met habitus-ingrediënten uit de Ger. Gem.-leer (om niet uit de Ger. Gem. boot te vallen?), maakt hij het middel erger dan de kwaal.
Even terzijde: Over de leer en de bevinding van de rechtvaardigmaking bestaat er alleen verwarring onder het leger belijders dat buiten het recht om zalig wil worden en bevindelijk vreemd is aan de rechtvaardiging van de goddeloze, maar voor degenen die als een goddeloze met God verzoend zijn, is deze leer in het kader van het geloof helder en klaar. Ds. Harinck wil dus iets duidelijk maken wat voor het ware geloof geen vraag is, maar voor hemzelf blijkbaar wel, want hij scheidt constant de geloofsbevinding van de rechtvaardigmaking van het geloof in Christus, alsof de geloofsbevinding van de rechtvaardiging iets anders zou zijn dan het geloof in Christus. Bovendien maakt ds. Harinck een karikatuur van de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie door er een soort visionaire lading aan te geven en er een labadistische smet op te werpen. Een 'visionaire vierschaarbeleving', een beeld dat op het afgescheiden(!) gezelschapsleven is ontstaan, is duidelijk een karikatuur van de bijbelse rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie, want het laatste geschiedt door het geloof. Ook de labadistische smet die Harinck werpt op de geloofsbeleving van de rechtvaardiging in de vierschaar van het geweten, is er een bewijs van dat zijn oogmerken onzuiver zijn.

Enerzijds is in de Ger. Gem. een strijd gaande om een soort wedergeboortebegin veilig te stellen zonder Christus te kennen (o.a. door ds. A. Moerkerken), en anderzijds is men bezig om in navolging van ds. G.H. Kersten het geloof in Christus te isoleren van de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze, ofwel de rechtvaardigmaking in de vierschaar van het geweten. Harinck zegt namelijk dat de rechtvaardiging door het geloof iets anders is dan de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie en dat doet hij juist met de bedoeling om niet in conflict te komen met zijn eigen kerkverband en de leer van ds. Kersten, maar zijn stelling is zo onbijbels als het maar wezen kan. Harinck wil van geen crisis voor het vlees weten, maar aan het geloof in Christus en aan de wedergeboorte, gaat altijd het geloof in de Wet vooraf, in de aanvaarding van het vonnis des doods. Al Gods volk weet derhalve uit welke nood en dood zij verlost zijn geworden.

Hetgeen ds. Harinck in zijn lezing (en ook in zijn boeken) leert, is gewoon een gekerstende vorm van de Ger. Gem. leer. Doorgestoken kaart dus......
Harinck schrijft wel in navolging van Luther dat de leer van de rechtvaardiging de leer is waarmee de kerk staat of valt, maar door zijn gemaakte karikaturen over de rechtvaardiging in de vierschaar der consciëntie, heeft hij zelf de bijbelse leer van de rechtvaardiging in discrediet gebracht.
Aangezien ik het heerlijk vind en het genadevoorrecht gekregen heb om de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze in Christus te verkondigen, zullen we de lezing van ds. Harinck van commentaar voorzien en met de hulpe des Heeren het bedrieglijke ervan aantonen op grond van Gods Woord.

Wat al direct opvalt in de lezing van ds. C. Harinck, is, dat hij de ijkmeter des geloofs, welke wij opgetekend vinden in Galaten 2:19, nergens noemt. "Ik ben door de Wet der Wet gestorven, opdat ik Gode leven zou", Gal. 2:19. Aan 'het gestorven zijn door de Wet aan de Wet' gaat ds. Harinck ten enenmale geheel voorbij, maar daarmee staat of valt juist het ware geloof in Christus. Als we niet door de Wet aan de Wet gestorven zijn, kan er van de rechtvaardigmaking geen sprake zijn, want het Einde der Wet is Christus, tot rechtvaardigheid, een iegelijk die gelooft (Rom. 10:4). Dat is het ijkpunt waar het altijd om gaat, maar waar het ook altijd mis gaat, ook in de lezing van ds. Harinck.

De lezing van ds. Harinck is het zoveelste bewijs van het feit dat men onder de dekmantel van het geloof in Christus een zelfuitgedachte bevinding die buiten het recht Gods om gaat, veilig wil stellen, omdat met geen raad weet met Galaten 2:19, ook bevindelijk niet. Harinck doet dat op een misleidende manier, namelijk door karikaturen te maken van, en een labadistische smet te werpen op de bijbelse rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie, terwijl de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie één en hetzelfde is als de rechtvaardiging door het geloof.

Het oogmerk van Harinck is evenwel zo doorzichtig als het maar wezen kan, want iemand die de zekerheid des geloofs als een nadere weldaad leert in het leven der genade, moet ook leren dat de gelovige die gerechtvaardigd is door het geloof nog in onzekerheid verkeert omtrent zijn staat voor God en de vergeving der zonden. Dit is echter de verkapte roomse Ger. Gem. leer en ook die van ds. C. Harinck. Al met al is "de rechtvaardigingsleer van ds. C. Harinck" op een roomse leest geschoeid, zij het in gekerstende vorm. Maar dat is nu juist het bedrieglijke van de zaak. Degenen die beweren Christus te verkondigen en tegelijk een smet werpen op de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze, zijn valse leraars, al was het ook een engel uit de hemel. Ik geloof niet dat ds. Harinck onschuldig is in deze, want anders had hij zich niet van karikaturen bediend en ook geen oudvaders laten buikspreken, maar dan had hij zich alleen op grond van Gods Woord en overeenkomstig de bevinding der heiligen uitgedrukt.

Harinck begint zijn lezing door smadelijk te spreken over een "vierschaarervaring", als zijnde het kenmerk van het christen-zijn in bevindelijke kringen. Harinck neemt de ontsporing omtrent de geloofsbeleving van de rechtvaardigmaking, die inderdaad op het afgescheiden gezelschapsleven is ontstaan, nota bene als stokpaardje voor zijn hele betoog en werpt zo een smet op de bijbelse leer en de bevinding van de rechtvaardiging van de goddeloze. Ik heb zelden een lezing onder ogen gehad die zo politiek doorspekt was met onzuivere oogmerken als de lezing van Harinck.

Het feit dat de bijbelse bevinding omtrent de rechtvaardiging van de goddeloze ontspoord is in bepaalde kerkelijke en gezelschapskringen, geeft dat niemand het recht om de bijbelse rechtvaardigingsleer in discrediet te stellen. Het punt waar het feitelijk om gaat, is, om een bijbels bewijs te leveren dat de rechtvaardiging door het geloof één en hetzelfde is als de rechtvaardingmaking in de vierschaar der consciëntie, hetgeen door heel de Afscheiding, inclusief ds. Harinck wordt ontkend. Harinck leert (in navolging van ds. G.H. Kersten) dat de rechtvaardiging door het geloof iets heel anders is dan de rechtvaarding in de vierschaar der consciëntie. Dat is nonsens. Bovendien spreekt Harinck niet uit ervaring, maar wat anderen erover geleerd en geschreven hebben. Harinck is een meester gebleken in het ploegen met andermans kalf, ook in zijn boeken, waarin hij bijna niets anders doet dan de oudvaders te laten buikspreken in het habitusstraatje van de Ger. Gem. Maar hoe kan de blinde de blinde leiden? Hoe kan iemand de leer van de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie beoordelen als hij zelf vreemdeling is van de bevinding ervan? Hoe kan iemand anderen wezenlijk over China vertellen, als hij er zelf nog nooit geweest is? Hoe kan iemand anderen zwemmen leren als hij zelf niet eens zwemmen kan? Vanaf het strand? De beste stuurlui staan altijd aan wal, maar zij weten zelf niets af van de draaikolken, de stormwinden, de golven en de baren, laat staan dat dezulken ooit als een Jona overboord gegaan zijn, om als een helwaardige goddeloze in Christus gerechtvaardigd te worden door het geloof. Ik noem het beeld van Jona, want het overboord gaan van Jona was niet Jona's rechtvaardiging, maar een beeld ervan.
Ds. Harinck leert dus niets nieuws, want G.H. Kersten is hem hierin al voorgegaan, hoewel Kersten, in navolging van Comrie, zelfs een vijfderlei rechtvaardigmaking leerde. Omtrent de (on)zekerheid des geloofs, beroept Harinck zich op de Westminster Confessie en dat verklaart dan ook het anti-reformatorische karakter van zijn betoog over de rechtvaardigingsleer. In het minste ware geloof is zekerheid, anders is geloof geen geloof.

We zullen eens nader bezien wat ds. C. Harinck letterlijk gezegd heeft in zijn lezing. Er zit namelijk ook veel waarheid in en dat maakt het juist zo gevaarlijk. Hij zegt o.a. het volgende: "In bevindelijke kring wordt door sommigen gesteld, dat men Christus door een waar geloof omhelsd kan hebben en toch nog niet gerechtvaardigd kan zijn."
Dat is inderdaad het geval en een ernstige dwaling. Hierin heeft ds. Harinck volkomen gelijk. Er is niet één kind van God die niet gerechtvaardigd is door het geloof. Al Gods kinderen zijn daadwerkelijk gerechtvaardigd door het geloof. Maar -en nu komt het- Harinck suggereert dat de bekendmaking gerechtvaardigd te zijn, pas later geschiedt dan het moment wanneer een zondaar door het geloof gerechtvaardigd wordt. Hoewel Gods werk in Christus wel steeds bevestigd wordt in het leven der genade, betekent dit niet dat degenen die in Christus geloven niet weten of zij wel gerechtvaardigd zijn of niet. Dat te suggereren is de reinste roomse onzin! Harinck zegt namelijk het volgende over degenen die in Christus geloven: "Daarom moeten wij ook in de hof van ons geweten gerechtvaardigd worden. Dat is geen tweede rechtvaardigmaking en ook geen aparte vierschaarervaring, maar een bekendmaking van de rechtvaardigmaking door het geloof aan ons hart en geweten door het getuigenis van de Heilige Geest."
Wat Harinck hier zegt, geschiedt niet na, maar altijd OP HET MOMENT dat een ziel gerechtvaardigd wordt. God SPREEKT de Zijnen in Christus zalig in de vergeving hunner zonden. En als God je als een goddeloze rechtvaardigt, is het onmoglijk om dat niet te geloven, want God doet geen half werk. Ik spreek niet alleen uit de ervaring des geloofs, maar Gods Woord leert dat God Zijn volk zalig SPREEKT: "Doden zullen horen, de stem van de Zoon van God en die ze gehoord [geloofd] hebben, zullen leven", Joh. 5:25.
En aan Johannes 5:25 gaat de bediening des doods, die van de Wet, in de overtuiging van zonden, gerechtigheid en oordeel, vooraf, en wel zodanig dat de zondaar in kwestie door de Wet aan de Wet sterft (Gal. 2:19) en op de stem van de Zone Gods levend gemaakt en in Christus gerechtvaardigd wordt. Degene die van deze Goddelijke orde afwijkt, is opgeblazen, en weet niets (1 Tim. 6:4).
Het feit dat de verzegeling des Geestes (de bevestiging van het werk Gods) in het leven der genade dikwijls intenser en dieper beleefd wordt dan de rechtvaardigmaking zelf, en in het afwijkende gezelschapleven tot de eigenlijke rechtvaardigmaking is verheven, doet dat aan het begin van het leven in Christus, namelijk de bijbelse rechtvaardiging in de vierschaar van het geweten, niets af. Elke gerechtvaardigde ziel kan direct met de Samaritaanse vrouw door het geloof van de Goddelijke vrijspraak getuigen: "Ik heb het zelf uit Zijne mond gehoord!"
Harinck scheidt de toepassing van de rechtvaardigmaking van het geloof in Christus, maar dat doet Rome ook. Maar die in het stuk van de rechtvaardiging dwaalt, dwaalt in alles. Vandaar dat Harinck ook -nog wel met een beroep op de Westminster- de onzekerheid des geloofs leert en vereenzelvigd met de rechtvaardiging door het geloof. De zekerheid des geloofs is geen nadere weldaan in het leven der genade en behoort niet tot het welwezen, maar voluit tot het wezen des geloofs. Dat leert Gods Woord en dat hebben ook de Reformatoren geleerd. Geloof zonder (enige) geestelijke zekerheid omtrent de zaligheid is geen geloof, maar berust louter op het gevoel en het verstand. Dan zit het allemaal nog een voet te hoog.
Bovendien is de rechtvaardigmaking in de toepasing geen loutere bekendmaking dat onze zonden vergeven zijn, zoals Harinck suggereert, maar een gerichtshandeling krachtens het vonnis der Wet tussen een rechtvaardig God en een verdoemelijke zondaar, waarbij Christus tussenbeide treedt en de betreffende zondaar vrijspreekt van schuld en straf op grond van Zijn Eigen gerechtigheid. Dit kennen ook de zwakgelovigen, wel niet in het zakelijke, maar wel in het richterlijke, namelijk in de toepassing des harten door het geloof, hoewel aangevochten en bestreden.
Als God een goddeloze om niet rechtvaadigt, bestaat de geloofskennis van de betreffende ziel omtrent zijn rechtvaardiging niet uit een theologisch begrip, maar wel in de kennis van de vergeving der zonden, met als onmiddellijke vrucht: de vrede met God (Rom. 5:1). Vanwege het feit dat de rechtvaardigmaking des zondaars voor God een gerichtshandeling des geloofs is, gaat elk kind van God door de crisis van de dood van Christus, om heerlijk met Hem op te staan in het nieuwe leven. Dat wordt ten stelligste door Harinck ontkend. De Heilige Geest echter, stelt bij monde van Paulus het sterven met Christus zelfs als het kriterium voor de rechtvaardigmaking door het geloof, namelijk in Romeinen 6:8: "Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven."
Hetzelfde vinden wij in 2 Timotheus 2:11: "Dit is een getrouw woord; want indien wij met Hem gestorven zijn, zo zullen wij ook met Hem leven."
Met andere woorden: Als wij niet met Christus gestorven zijn, zullen we ook niet met Hem leven. Romeinen 6:8 en 2 Timotheus 2:11 staan dus duidelijk in het kader van Galaten 2:19-20.
In Galaten 2:19 spreekt Paulus overduidelijk over een crisis voor het vlees. "Ik ben door de Wet der Wet gestorven..." Paulus is niet aan iets gestorven, niet alleen aan de werken der Wet, nee, hij is zelf gestorven, namelijk de oude mens. Dat leert Paulus ook in Romeinen 6:6: "Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te niet gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen." In de rechtvaardigmaking wordt de oude mens gedood en de nieuwe staat op in Christus. De oude mens moet echter niet verward worden met het bedorven vlees, het lichaam der zonde, want vleselijk blijft Gods volk tot aan haar laatste snik, ja, verkocht onder de zonde. Maar in Christus is zij volkomen rechtvaardig en heilig tegelijk en is er geen gebrek aan haar.
Als deze leer gepredikt wordt, heeft de Heilige Geest ALLE (gelovige en ongelovige) gewetens mee, ook die van ds. Harinck, want het is de leer van Gods Woord en die van de Heilige Geest. Een ieder die nog een sprekend geweten heeft en deze leer hoort verkondigen en/of uiteenzetten, weet dat dit de zuivere leer is. Vijandschap tegen deze afsnijdende en bevrijdende leer ontstaat altijd als de Heilige Geest door de algemene overtuiging de (onverzoende) gewetens overtuigt van de waarheid ervan. Hieruit volgt dat degenen die van deze bijbelse leer overtuigt zijn door de (al)gemene werkingen van de Heilige Geest en het toch anders leren, bewust doen aan Schriftkritiek en gaan dus niet vrijuit, want dezulken wederstaan de Heilige Geest. Gods volk is van deze leer door de bijzondere, zaligmakende werking van Gods Geest overtuigt en in Christus deelgenoot ervan in de toepassing des harten door het geloof. God leert Zijn volk namelijk geen misschientjes, nee, Gods kinderen zijn allemaal van God geleerd (Hebr. 8:10-12), naar de mate der kennis van Christus.
Dus alle bevinding die aan de rechtvaardigmaking des geloofs, ofwel de rechtvaardigmaking in de vierschaar van het geweten door het geloof, vooraf gaat, behoort tot de (al)gemene werkingen van Gods Geest en is op zich niet zaligmakend. De bediening des doods (Gal. 2:19a) gaat wel altijd aan de rechtvaardiging vooraf, maar Paulus bleef niet steken in de dood, nee, want het gestorven zijn aan de Wet heeft in het leven der uitverkorenen altijd een onwederstandelijk levend- en rechtvaardigmakend gevolg, namelijk "...opdat ik Gode leven zou." Ds. Harinck spreekt alleen over het (af)sterven aan de Wet, maar degenen die de Wet afsterven, zijn eerst der Wet gestorven. Je kunt stervende zijn, maar iemand die stervende is, leeft nog. Het vlees afsterven is dus een gevolg van het gestorven zijn aan de Wet. Gods volk is met Christus gestorven door de bediening des doods, en leven Gode door het geloof des Zoons van God, door de Heilige Geest. In Gods Woord wordt Abrahams geloof en rechtvaardiging tot een voorbeeld gesteld voor allen: "En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend", Jak. 2:23.
Op grond waarvan heeft Abraham God geloofd? Op grond van de vergeving der zonden, dus op grond van hetgeen God in zijn ziel gesproken had door het getuigenis van de Heilige Geest! De HEERE had namelijk tot Abraham gezegd: "Ik ben u een Schild, uw Loon zeer groot", Gen. 15:1. Op grond van het spreken Gods in Christus geloofde Abraham in God tot zijn rechtvaardigmaking.
Harinck beweert verder: "Wij kunnen op grond van de Schrift zeggen: Er is onderscheid tussen de rechtvaardiging door het geloof en de zekerheid, de troost en de genieting daarvan."
Hetgeen Harinck hier leert is een volstrekte leugen en een duivelse verdraaiing van de heilige Schriftuur!
Want wat zegt de Schrift? "En hij [Abraham] heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer; en ten volle verzekerd zijnde, dat hetgeen beloofd was, Hij ook machtig was te doen. Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend", Rom. 4:20-22. Dat is wel heel wat anders dat een harinckiaans misschientje...!
Gaat het zo bij alle gelovigen, zoals bij Abraham? Ja, want Paulus vervolgt in Romeinen 4:23-25: "Nu is het niet alleen om zijnentwil geschreven, dat het hem toegerekend is; maar ook om onzentwil, welken het zal toegerekend worden, namelijk dengenen, die geloven in Hem, Die Jezus, onzen Heere, uit de doden opgewekt heeft; Welke overgeleverd is om onze zonden, en opgewekt om onze rechtvaardigmaking."

"Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onzen Heere Jezus Christus", Rom. 5:1.

En wat is nu precies het Schriftbewijs dat de rechtvaardiging door het geloof één en hetzelfde is als de rechtvaardigmaking in de vierschaar der consciëntie? Heel de Schrift getuigt ervan, in het bijzonder in Galaten 2:19! en de bevinding der heiligen bevestigt dat feit. We zullen met de gerechtvaardigde Psalmdichter van de 116e Psalm omtrent deze zaak meezingen:

Gij hebt, o HEER', in 't dood'lijkst tijdsgewricht
Mijn ziel gered, mijn tranen willen drogen,
Mijn voet geschraagd; die zal ik voor Gods ogen,
Steeds wandelen in 't vrolijk levenslicht.


En wat ging hieraan vooraf? Een crisis voor het vlees!

Ik lag gekneld in banden van de dood,
Daar d' angst der hel mij alle troost deed missen;
Ik was benauwd, omringd door droefenissen;
Maar riep den HEER' dus aan in al mijn nood:

Och HEER', och wierd mijn ziel door U gered, enz.


De vrede met God wordt ALTIJD met een kus van het recht begroet. Dat gaat gelijk op. Sion wordt door recht verlost, in de vergeving der zonden door het geloof. Dat wordt o.a. ook in Zondag 7 van de Heidelberger geleerd en bevestigd. Zondag 7 is niet alleen een bevestiging van de rechtvaardigmaking door het geloof; het ziet op de zaak zelf, namelijk van vergeving der zonden in de toepassing des harten.
De Westminster Confessie waar ds. Harinck zich op beroept, is wat de zekerheid des geloofs betreft een degradatie van de leer der Reformatie, de rechtvaardiging van de goddeloze. Gods Woord leert de zekerheid des geloofs al voor de zwaks gelovige in Christus en wee degenen die de zwakgelovigen de zekerheid des geloofs betwisten. Christus leert als Machthebbende: "En zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware", Mark. 9:42.
Wee ds. Harinck, wee, want gij ergert de kleinen in Christus door hun de geloofszekerheid en de troost daarvan te betwisten. Ook de zwakgelovigen zijn verzekerd van de enige Troost beide in leven en sterven, namelijk door het inwendige getuigenis van de Heilige Geest. Romeinen 8:16 is geen extra, maar behoort tot het wezen des geloofs: "Dezelve Geest getuigt met onzen geest, dat wij kinderen Gods zijn."

Harinck zegt: "Sommigen van Gods kinderen hebben in die weg een diepe ervaring meegemaakt van afsnijding van alle eigen werk en gerechtigheid. Zij zijn door een weg van diepe strijd tot de omhelzing van hun vrijspraak gekomen. Ik vrees, dat dit dikwijls verward wordt met de rechtvaardiging door het geloof in Jezus Christus."
Goddelozer kan het niet gezegd worden. De paus zou zoiets niet durven zeggen en de duivel ook niet, want die siddert nog. Harinck suggereert namelijk dat de rechtvaardiging door het geloof niet door een crisis gaat voor het vlees en loochent daarmee Galaten 2:19. Harinck leert duidelijk een soort onbewuste rechtvaardigmaking door het geloof en staat daarmee op gelijke voet met Abraham Kuyper die een veronderstelde wedergeboorte leerde, met dit verschil, dat Harinck nog wel een aantal kenmerken opsomt die hij gepaard laat gaan met zijn visie over de rechtvaardiging door het geloof, maar de geloofsbewuste vrijspraak van de vergeving der zonden, zonder welke de rechtvaardigmaking des geloofs niet kan bestaan, schuift hij als een soort 'extra' op de lange baan. Harinck is dus volbloed rooms en bevestigt slechts één ding met zijn lezing: de dwaalleer van de Ger. Gem.

GPPB.

PS. Nadat we Gods Woord hebben laten spreken, geven we ook het getuigenis van ds. Th. van der Groe t.a.v van de zekerheid des geloofs nog maar eens door. Van der Groe verwerpt alle leraars die afwijken van de leer der Reformatie waarin de zekerheid des geloofs op grond van Gods Woord tot het wezen des geloofs wordt gerekend en geleerd.

1. Een waar gelovige zonder enige zekerheid van zijn zaligheid, is bij mij niet anders als een gedrochtelijk hersenschim, ofwel een gelovige zonder geloof.

2. Ik scheid de zekerheid geenszins van het geloof, net zomin ik het licht kan scheiden van de zon en de warmte van het vuur.

3. Mijn waar gevoelen is, dat er in onze geesteloze tijd mogelijk duizenden in het christendom worden gevonden, die zichzelf vals en zonder grond inbeelden dat zij zwakgelovigen, sukkelende, twijfelmoedige christenen zijn, terwijl zij nochtans niets hebben van het ware ziel-zaligende geloof in hun harten.

4. Velen stellen het beginsel des geloofs en der ware genade in de gemene werkingen van overtuigingen, bekommernissen, ongelovig zuchten, begeren, hongeren en dorsten, met hetwelk de mens kan hebben en nochtans voor eeuwig verloren gaat.

5. Ik betuig dat het met mij waarlijk gelegen is, dat ik geenszins een waar zwakgelovige, sukkelend, duister christen wil bedroeven of tot twijfelmoedigheid wil brengen. Ik mag in waarheid zeggen, gelooft zij de Heere! dat Hij mij een teer hart en innerlijke barmhartigheid heeft geschonken, voor het geringste schaapje Zijns Zoons en voor het zwakste lammetje, zodat ik dezulken geen kwaad zou willen doen, maar het liever alle dagen in mijn schoot zachtjes zou willen strelen totdat het sterk en gezond werd.

6. De allerzwakste gelovige heeft nochtans inwendig in de grond van zijn hart altijd enige vaste verzekerdheid zijner zaligheid en Gods genade blijft hij behouden, die hij in der eeuwigheid niet verliezen kan, nademaal de Geest Gods, Die het geloof werkt en versterkt, hem nooit geheel verlaat.

7. Ik bestrijd degenen die stellen dat in de 7e Zondag van de Catechismus niet het eigenlijke wezen, maar het welwezen des geloofs beschreven wordt, of anders gezegd, dat tot het wezen des ware geloofs niet zou behoren de particuliere toepassing en inwendige verzekering van de vergeving der zonden in Christus.

8. Voor alle duidelijkheid laat ik de opsteller van de Catechismus, Caspar Olevianus, maar eens spreken. Die man zal ons zijn gevoelen over het eigenlijke wezen des geloofs klaar genoeg zelf willen uitleggen in zijn verklaring van de apostolische geloofsbelijdenis, pagina 205. Daar schrijft hij: "Zodanig een kennis Gods wordt er in Jeremis 31:34 beloofd, waardoor wij beide van de genadige vergeving der zonden verzekerd zijn en waardoor het beeld Gods in ons hersteld wordt."

9. Het Avondmaal des Heeren verzekert een christen niet dat hij een christen is en het geloof heeft, maar hij moet daarvan, eer hij aan het Avondmaal gaat, verzekerd zijn! Alle soorten geloof, welke de verzekerdheid niet hebben tot wezenlijke eigenschap, veroordelen wij als vals en ongoddelijk.
(Uit: Oprecht zielszaligende geloof)


(9 keer Amen! - GPPB).

JONGEREN UIT GER. GEM. LATEN ZICH BEDRIEGEN  Klik hier       
Plaats in winkelmandjeMandje
Tijdens de winterconferentie van de studerenden van de Gereformeerde Gemeenten (13 Jan. 2006), waarbij zo'n 320 jongeren aanwezig waren, spraken ds. C. Harinck en ds. J. Mijnders over de zekerheid des geloofs. (zie: Klik hier)

Commentaar (1)
Hoewel ds. Harinck de zekerheid des geloofs onderschrijft, hield hij de jongeren voor dat Asaf op een zeker moment de zekerheid des geloofs miste. Hiermee leidt Harinck de jongeren op het spoor naar Rome. Te zeggen dat een gelovige de zekerheid des geloofs mist, is hetzelfde te zeggen dat hij het geloof mist. Gods kinderen zijn nooit verstoken van het geloof en nooit verstoken van de zekerheid des geloofs. Daar staat de voorbidding van Christus garant voor: "Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude."
Asaf miste de zekerheid des geloofs niet. Op een zeker moment miste hij de beoefening des geloofs en liep in de gestalte van ongeloof. Dat is echter heel wat anders. De zekerheid des geloofs staat of valt niet met de toestand van de gelovige, maar met het geloof zelf. Als gave Gods verliest Gods kind het geloof nooit en ook niet de zekerheid des geloofs. Als Gods kinderen in de hoogste aanvechting weleens ongeloofstaal uitslaan, wil dat niet zeggen dat zij om die wangestalte de zekerheid des geloofs missen. Wat is dit (de leer van Harinck) voor een roomse leer? Christus zegt immers tegen Petrus en al Gods kinderen dat hun geloof nooit zal ophouden en daarmee ook de zekerheid nooit zullen verliezen.
Ds. Harinck zegt o.a.: "We moeten zekerheid niet verwarren met kalme rust of afwezigheid van strijd." Nee, zeker niet, maar de zekerheid des geloofs wordt in het kader van het genadeleven niet in mindering gebracht door "een gevoel van Gods toorn over de zonde, verberging van Gods aangezicht, aanvechtingen van de satan, vallen in zonde of door kruis en tegenspoed", zoals Harinck suggereert. Dat is een roomse redenering! De zekerheid des geloofs in Gods beloften die in Christus ja en amen zijn, staat of valt niet met de (on)gestalten van Gods ware volk, maar ligt vast in God, in Christus en in Zijn Woord. Omtrent de leer van de zekerheid des geloofs is in de Nadere Reformatie wel degelijk een teruggang te bespeuren, richting Rome. Vele oudvaders in de Nadere Reformatie zijn op de 'pastorale kenmerkentoer' gegaan en hebben een theologie ontwikkeld van beneden naar boven, terwijl Gods genade uitsluitend van boven naar beneden komt. De zekerheid des geloofs komt nooit tot stand vanuit de mens naar God, maar daalt altijd van de God der genade af in de mens door de Heilige Geest. Pastoraal geknoei in het uitpluizen van kenmerken is altijd een gevaarlijke tendens gebleken, met verstrekkende gevolgen. Het is ook een gebrek aan de geloofsbevinding van Galaten 2:19. We zien er in onze dagen de wrange vruchten van. De leer en de bevinding van de rechtvaardiging van de goddeloze is ermee in discrediet gekomen en t.a.v. de bevinding is deze leer -generaal gesproken- zelfs in het vergeetboek geraakt. Het zijn de enkelingen in onze dagen die er weet van en kennis aan hebben. De zekerheid des geloofs ligt niet in de gelovige, niet in de kenmerken des geloofs, maar in de BELOVER! Paulus getuigt van de zekerheid des geloofs in Hebreeën 11:1, en in het vervolg van dat hoofdstuk betrekt hij al de heiligen in die zekerheid. Paulus maakt nergens melding over de wangestalten en ongeloofstaal van Gods volk. Dat doet namelijk heel niet mee, want God ziet Zijn volk aan als gelovige kinderen in Christus, ook al staan (stonden) ze met hun voeten in de zonden. Al de bijbelheiligen die Paulus opsomt in Hebr. 11, hebben door het geloof gewandeld en hebben niet getwijfeld aan Gods beloften door ongeloof. Als Abraham naar Hagar grijpt om Gods beloften zelf te vervullen, en in Egypte omtrent zijn vrouw Sara een leugen verkondigt, dan zegt Paulus t.a.v. Abraham in Romeinen 4:20: "En hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof; maar is gesterkt geweest in het geloof, gevende God de eer." Dat geldt voor al Gods ware volk!
Kunnen Gods kinderen dan altijd maar geloven dat ze ten hemel reizen? Nee, Gods kinderen zijn dikwijls op weg naar de hel, of ze zitten er voor hun waarneming midden in, maar dat is juist de weg ten hemel, want Christus is altijd dieper geweest dan de diepten waarin Zijn volk dikwijls verkeert. Christus is altijd op de bodem van de put van onze verlorenheid te vinden. Of Gods kinderen dat feit wel of niet in de dadelijkheid geloven, doet hun geloof in Christus en de zekerheid des geloofs die zij in de wedergeboorte hebben ontvangen niet teniet. Dit ondervinden zij allemaal: "Zo ik opvoer ten hemel, Gij zijt daar; of bedde ik mij in de hel, zie, Gij zijt daar", Ps. 139:8. Aangezien Christus Zijn ware volk dus NOOIT verlaat en de Heilige Geest altijd in hen blijft wonen, is er geen ogenblik in hun leven dat ze het ware geloof en de zekerheid daarvan missen. Degenen die dat wel leren, leren een halve christus, ofwel een valse christus en een vals geloof. 'Een waar gelovige op zijn slechtst' steekt altijd ver uit boven 'een schijngelovige op zijn best', niet vanwege zijn (wan)gestalten, maar vanwege zijn vernieuwde staat in Christus en vanwege de olie des Geestes dat bij Gods ware volk NOOIT uitgeblust raakt. Als Harinck beweert dat Gods kinderen de zekerheid des geloofs soms missen, dan leert hij ook dat bij de wijze maagden de lampen kunnen uitgaan. Zo leert Gods Woord het niet, ook niet in die gelijkenis. Immers, de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen!

Ds. Harinck 'constateerde' verder dat de Reformatie de zekerheid van het heil beklemtoonde tegenover de rooms-katholieke theologie, die ervan uitging dat een mens bijna niet tot zekerheid kan komen.
Weet u, lezer, wat Harinck hier zegt? Dat Rome de zekerheid des geloofs wel geleerd heeft, alleen minimaal. Het komt wel voor, maar "bijna niet". Wat is dit voor een grove misleiding?
Rome heeft de zekerheid des geloofs op geen enkele wijze geleerd, integendeel, Rome heeft de zekerheid des geloofs VERVLOEKT op het concilie van Trente en heeft die vervloeking tot op de huidige dag nooit herroepen. Dat kan ook niet, want Rome heeft de onvergeefelijke zonde tegen de Heilige Geest bedreven! Rome zal daarom vernietigd worden en kan nooit meer een ware kerk worden, alle 'harinckiaanse' relativeringen omtrent de paapse onzekerheidsleer en 'heggeriaanse' toenaderingspogingen richting Rome ten spijt.

Tijdens de rondvraag zei ds. J. Mijnders dat het de gewoonste weg van God is dat mensen pas tot zekerheid van het geloof komen als ze eerst hun doodstaat beleefd hebben. "Er moet plaats gemaakt worden voor de beloften die door de onmogelijkheid heen worden vervuld en waarvan de vrucht gezien wordt." Hij vertelde uit zijn eigen leven hoe alles eerst vastliep voor hij de Tweede Persoon leerde kennen." (zie: Klik hier).

Commentaar (2)
Broeder Mijnders spreekt ware woorden, en ik respecteer zijn geloof in Christus (werd het maar meer gevonden), maar zijn verwoording van zaken is helaas eveneens misleidend. Hij had die 320 jongeren de heilsleer niet op grond van zijn Ger. Gem.-bevinding, maar op grond van Gods Woord moeten voorhouden en moeten zeggen dat: "het ALTIJD Gods weg is dat mensen tot de zekerheid van het geloof komen op het moment dat ze wedergeboren, gerechtvaardigd worden en in Christus geloven." Mijnders (en heel zijn kerkverband) suggereert 'leven voor de rechtvaardigmaking'. De beleving van de doodstaat gaat echter aan de wedergeboorte vooraf, in de overtuiging van zonde, gerechtigheid en oordeel, waarbij de uitverkoren zondaar uiteindelijk aan de Wet sterft (Gal. 2:19), door het lichaam van Christus (Rom. 7:4). In dat dodelijke tijdsgewricht wordt de zondaar door de Heilige Geest in een punt des tijds levendgemaakt en met God verzoend door het geloof. Buiten de kennis van Christus is er geen zaligmakend geloof en ook de zogenaamde 'toeleidende weg-theologie' is niet zaligmakend. Ger. Gem. predikanten (en ook vele anderen) kunnen niet separeren tussen schijn en zijn, omdat ze de gemene werkingen des Geestes vereenzelvigen met de zaligmakende werkingen des Geestes, of zelfs niet verder komen dan de gemene werkingen des Geestes. Zelfs bij het geloof en de Geestesverlichting van de dwaze maagden kunnen vele 'bevindelijke mondbelijders' nog niet in de schaduw staan. God heeft Zijn kinderen (en alleen die) de Wijsheid Gods geopenbaard tot rechtvaardigheid en tot heiligmaking en de wijsheid der wijzen zal Hij doen vergaan! De dwalingen zijn dus weer eens niet van de lucht. Ach Heere, hoelange....?

GPPB.

(Zie: 'INGEZONDEN STUKKEN': 'HARDE GEDACHTEN').

MISLEIDENDE RECENSIE VAN DS. P. DEN OUDEN OVER HET BOEK VAN DS. C. HARINCK 'S RECHTVAARDIGINGSLEER  Klik hier       
Plaats in winkelmandjeMandje
"Kundige gids bij gecompliceerd vraagstuk"

DIGIBRON-publicatiedatum: 13 februari 2008

Ds. C. Harinck (GG) wil onjuiste opvattingen rond geloof en rechtvaardiging corrigeren

door: ds. P. den Ouden (HHK)

(Lees volledige RD-artikel via de Klik hier link)

DEN OUDEN: Bij het spreken over de rechtvaardiging door het geloof werden in het verleden de accenten nogal eens verschillend gelegd. Ds. C. Harinck leidt in "De rechtvaardigmaking" als een kundige gids de lezer door het theologische landschap. Maar dat niet alleen. Hij wil ook onjuiste opvattingen rond geloof en rechtvaardiging corrigeren. Comrie plaatste de rechtvaardiging nadrukkelijk voor het geloof, om zo iedere vorm van remonstrantisme uit te sluiten. Brakel liet de rechtvaardiging volgen op het geloof, in reactie op het antinomianisme, waarbij het gevaar dreigde van een rechtvaardiging zonder geloofswerkzaamheden. Van der Groe had een scherp oog voor de zwakke kanten van beide posities en nam een soort middenpositie in: de rechtvaardiging door of uit het geloof. Naar zijn overtuiging waren beide onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Hij verweet zijn ambtsbroeders dat zij zich te veel door de filosofie en de rede lieten leiden, in plaats van zich te houden aan de klare bewoordingen van de Schrift.

GPPB.: Van der Groe ging er niet tussen staan, zoals Den Ouden onzinnig beweert, maar leerde -net als Brakel- de rechtvaardiging van de gelovige, hetgeen Van der Groe letterlijk leert in zijn Catechismusverklaring. (Klik op de Klik hier link ter inzage van de bijbelse orde rechtvaardigmaking - geloof). Van der Groe -en velen met hem- keerde deze orde om conform de Remonstrantse Confessie! Ook Van der Groe houdt zich niet aan de "klare bewoordingen van de Schrift", en bediende zich van onbijbelse uitspraken, o.a. 'zaligmakende overtuigingen', en 'de rechtvaardiging van de gelovige'.

DEN OUDEN: Natuurlijk heeft Harinck met zijn studie meer voor ogen dan alleen maar een historisch overzicht te presenteren. Het geboden overzicht levert hem de bouwstenen aan om in het laatste hoofdstuk zijn eigen positie in te nemen. Een van de paragrafen is getiteld: "Een noodzakelijke correctie", en dat is precies wat de schrijver met zijn studie beoogt: hij wil onjuiste opvattingen rond geloof en rechtvaardiging corrigeren. Hij waarschuwt tegen het oprukkende arminianisme vanuit de evangelische beweging. Maar zijn aandacht richt zich vooral op allerlei on-Bijbelse, soms zelfs bizarre opvattingen rond de beleving van de rechtvaardiging zoals die vigeren in de rechtervleugel van de gereformeerde gezindte. Inderdaad zijn correcties hier dringend nodig en de correcties die de schrijver hier voorstelt, kan ik alleen maar voluit onderschrijven.

GPPB.: Het is bewezen dat Den Ouden ook het getuigenis van Hanna in 1 Samuel 2:6 onder de door hem genoemde noemer schaart, nl.: "bizarre opvattingen rond de beleving van de rechtvaardiging". Natuurlijk heeft Den Ouden "met hartelijke instemming" het boek van Harinck gelezen en vanzelfsprekend onderschrijft Den Ouden "de correcties" van ds. Harinck, omdat PdO zelf geen kennis heeft aan het getuigenis van Hanna, maar zich fel daartegen keert. Het blijkt ook dat predikanten als Den Ouden en Harinck ook geen kennis hebben aan het gestorven zijn aan de Wet (Galaten 2:19), waarvan Paulus getuigt vanuit de praktijk der bevinding. 1 Samuel 2:6 en Galaten 2:19 zijn evenwel gezaghebbende toetsstenen van het ware geloof en om het snode van het kostelijke te onderscheiden. Zowel ds. Harinck als ds. Den Ouden vallen bij deze toetsstenen door de mand.

Over de heilstoe-eigening rijden ds. Harinck en zijn collega Den Ouden een scheve schaats, maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ds. Den Ouden -op een aantal kanttekeningen na- ook een aantal ter zake doende opmerkingen maakt over het 'oudvader-citaten-boek' van Harinck:


DEN OUDEN: "Toch moet ik eerlijk bekennen dat het lezen van dit boek me enigszins treurig heeft gestemd en een beklemmend gevoel achterlaat. Ik wil dat uitleggen aan de hand van de inhoudsopgave van het boek. Het boek bestaat uit ongeveer 240 pagina's, waarvan er slechts 20 worden gewijd aan de Schriftgegevens en 50 aan een terugblik. Van de overige pagina's wordt de helft door de Nadere Reformatie in beslag genomen. Dit gegeven is veelzeggend.
Ik wil de schrijver hierover geen verwijten maken; de manier waarop in de gereformeerde gezindte de discussie wordt gevoerd, laat hem bijna geen andere keuze (dat laatste is niet waar, want de Schrift heeft ALTIJD het laatste woord en ook het eerste - GPPB.).
En dat is de oorzaak van mijn treurnis: het is blijkbaar niet meer mogelijk om elkaar bij de Schrift te ontmoeten. De benadering van de Schrift wordt zo gedomineerd door theologische fronten, dat we niet meer in staat zijn om vrij en onbevangen naar de Schrift te luisteren. Allerlei theologische formuleringen die niet in de Schrift zijn terug te vinden, zijn een eigen leven gaan leiden en overwoekeren de Bijbel en het geloofsleven. Daarbij is het onderlinge wantrouwen zo diep, dat een open gesprek niet meer mogelijk is (ook niet met ds. Den Ouden, aangezien hij niets moet hebben van de afsnijding - GPPB).
We kunnen alleen nog maar met elkaar discussiëren via autoriteiten. De eenvoudige woorden van de Schrift hebben blijkbaar niet genoeg gewicht. (Ook niet bij Den Ouden, aangezien hij de toetsstenen der rechtvaardigmaking van 1 Samuel 2:6 en Galaten 2:19 niet erkent en niet doorstaat - GPPB.).
De Schrift wordt niet meer met de Schrift vergeleken, maar met geautoriseerde schrijvers, en dan zijn de laatsten beslissend. Dat de situatie inderdaad zo is, komt pijnlijk aan het licht in de verhoudingen in deze studie. Slechts 10 procent is gewijd aan het spreken van de Schrift en de grootste helft is toebedeeld aan de traditie. Zo dreigt het geestelijk leven zich ongemerkt meer te baseren op de traditie dan op de Schrift. Dat doet denken aan de opmerking die Antoine Bodar onlangs maakte, dat niet alleen de rooms-katholieken, maar ook de protestanten gebogen gaan onder hun tradities en commentaren en dat het leergezag de Schriftuitleg bepaalt. Een echte protestant gelooft graag in gemeenschap met de kerk, maar niet op gezag van de kerk. Ik heb waardering en achting voor Brakel, Comrie en Van der Groe. Hun lectuur geeft de nodige diepgang en behoedt voor al te exclusieve uitspraken. Desondanks werd ik bij het lezen van deze studie op 't laatst wel erg moe van al die onderscheidingen, die meer met denken dan met geloven te maken hebben."


GPPB.: Brakel, Comrie en Van der Groe hebben niet de diepgang die de Schrift leert en zij hebben dan ook geen enkele autoriteit om de Schrift te bewijzen, hetgeen voor alle oudvaders geldt. Bovendien hebben Brakel en Cormie fundamenteel gedwaald t.a.v. van de leer waarmee de Kerk staat of valt, en daaraan ontkomt zelfs Van der Groe niet. Wat al die 'autoriteiten' betreft, daarin heeft ds. Den Ouden volstrekt gelijk, alleen strookt zijn lippentaal hierover niet met zijn tegenkanting tegen de afsnijding, want het getuigenis van Hanna (1 Sam. 2:6) en Paulus (Gal. 2:19) behoren ook tot de 'eenvoud' van de Schriftuurlijke heilsleer, die Den Ouden echter op een subtiele manier schaart onder "bizarre opvattingen rond de beleving van de rechtvaardiging", een bizarre opmerking waarmee Den Ouden zichzelf openbaart als een vijand van de ware bevinding.

DS. P. DEN OUDEN en DR. K. ZWANEPOL, LUTHER'S PAPGEGAAIEN // VAN DER BELT, JUDAS VAN DE REFORMATIE  Klik hier       
Plaats in winkelmandjeMandje
In dit persbericht wordt ook de valse oecumene van ds. H. van der Belt (PKN) behandeld (lees zijn verraderlijke uitspraken via de "Klik hier'-link).

In de Gezindsgids van 25 Oktober 2007 (Jaargang 60 nr. 10), geven ds. P. den Ouden en dr. K. Zwanepol een volbloed lutheraanse visie op de erfenis van de reformator, dr. Maarten Luther.

De eerste vraag die wij stellen, is: "Hebben de huidige lutheranen nog enige affiniteit met Luther?" Antw.: Absoluut niet. Dat geldt ook voor ds. P. den Ouden (HHK) en dr. K. Zwanepol (PKN). Zij hebben juist de erfenis van Luther verraden. Ik zal dat bewijzen uit hetgeen zij schrijven.

Dr. Zwanepol (dr. H. van der Belt idem dito) bepleit een brede oecumene waarvan alle kerken, ook de oosters-orthodoxen, de anglicanen en zelfs Rome, deel uitmaken (GZG. pag. 9). Gods Woord leert echter dat "het beest", de Antichrist, (Rome) vernietigd zal worden (Openb. 17-20).
Dr. H. van der Belt (PKN) heeft zich -op de conferentie van predikanten in Hydepark in Doorn, die door de GB was georganiseerd- publiek als een Judas van de Reformatie geopenbaard, met zijn oecumenische pleidooi voor de Antichrist: "Degenen die van ons gescheiden zijn, horen bij ons", aldus Van den Belt, die gelijktijdig een oproep deed aan de kerken om zich bij de PKN te voegen. Hij vroeg aan de PKN om zich zo op te stellen dat er ook ruimte is voor de kleine afgescheiden kerken. Tegelijkertijd zei hij dat de PKN een noodkerk is in afwachting van het herstel van Rome. "Als we echt nadenken over de eenheid van de kerk, mogen we de RK-kerk nooit vergeten." (Zie: "Klik hier"-link).
Een volbloed heggeriaanse ketterij! Al eerder heeft H. van der Belt -die zelfs Kuitert gereformeerd noemt- de Reformatie publiek verraden. (Zie: ARCHIEF 2004-2007 / KERK EN GODSDIENST / HEGGER - KUITERT / HET POKERSPEL VAN KERKELIJKE NEDERLAND).

Dr. Zwanepol oppert om voor de "rechtvaardiging" een nieuw woord proberen te vinden, "een woord dat appelleert aan de levenservaring van mensen van deze tijd. Het woord 'aanvaarding' bijvoorbeeld: we zijn al door God aanvaard voordat we onszelf aanvaarden (GZG - pag. 10)."
Ja, dat gaat er vanzelf als koek in bij betoverd refoland. Zwanepol spreekt zichzelf echter vierkant tegen met deze waarheid: "We mogen dit thema van Luther ["Hoe krijg ik een genadig God"] nooit laten vallen, ook al zet het de dingen onvoorstelbaar op zijn kop. Wij rechtvaardigen immers wat wij goed vinden. Maar God rechtvaardigt de goddeloze!"
Rechtzinnige papegaaienpraat, waarin het wezen gemist wordt en waarin ook de geest van Luther gemist wordt. Dat laatste tekent de lutherse kerk. De wrange vruchtgevolgen daarvan zijn niet uitgebleven. De lutherse kerk is reeds ter ziele gegaan en opgegaan in een valse kerk, de PKN. En zelfs de erve der vaderen, de NHK, is uitgerukt vanwege de leervrijheid en het verraad aan de Reformatie.

Ds. P. den Ouden beweert dat alleen Calvijn en niet Luther de Wet als een gezaghebbende regel voor het maatschappelijke leven heeft geleerd (GZG pag. 11). Een valse voorstelling van zaken. Het was juist Luther die de militante wederdopers (anabaptisten, die de maatschappelijke orde op zijn kop zetten, denk aan Munster), op grond van Gods Wet fel bestreden heeft. Het bewijs daarvan staat zwart op wit in Luthers commentaar van de Galatenbrief. Ik noem slechts 1 Luthercitaat: "Want wie heeft ooit gehoord (om over de gruwelen van de paus maar te zwijgen) dat er zoveel monsters tegelijk losgebroken zijn als wij vandaag de dag zien, alleen al bij de wederdopers (anabaptisten)? Met hen heeft de satan als het ware de laatste adem van zijn rijk willen uitblazen, om de zijnen met verschrikkelijke woelingen overal in opstand te brengen. Ja, het is als wilde hij heel plotseling door deze mensen niet slechts met opstanden de wereld omverwerpen, maar ook door talloze sekten Christus met Zijn gehele Kerk verslinden. Zo woedt en raast de satan niet tegen de levens en de meningen van andere mensen, bijvoorbeeld tegen echtbrekers, dieven, moordenaars, meinedigen, goddelozen, tempelrovers en ongelovigen; veeleer geeft hij hun in zijn huis vrede, spreekt vriendelijk met hen en vergeeft hun alles. Zo heeft de satan eens in het begin van de kerk alle soorten van afgodendienst en religies in de wereld onberoerd gelaten; hij heeft die niet alleen geduld, maar ten sterkste bevorderd; maar de kerk en godsdienst van die ene Christus heeft hij aan alle kanten gekweld en later, toen hij aan alle ketters vrede toestond, heeft hij alleen de Katholieke Kerk in verwarring willen brengen. En zo heeft de satan ook tegenwoordig geen andere bezigheid dan deze, die immers zijn eigenlijke werk is, namelijk onze Christus (Die onze gerechtigheid is, zonder ons werk) te vervolgen, zoals over hem geschreven staat: 'Gij zult het de verzenen vermorzelen' (Genesis 3:15)."
(Cursivering van mij - GPPB.)
Hetgeen P. den Ouden beweert is dus volslagen onzin, ofwel "oudense" lariekoek. Ouden koek doet men niet in nieuwe verpakking, want is de inhoud bedorven, dan verrot ook de verpakking.

Bovendien pleegt ds. P. den Ouden (HHK-Wouterswoude) verraad t.a.v. Luthers voluit bijbelse erfenis, als hij beweert: "Calvijn zag de verhouding tussen Wet en Evangelie duidelijker dan Luther. Bij Luther lost het Evangelie de Wet af, bij Calvijn heeft de Wet een blijvende plaats. De boetvaardigheid is geen voorwaarde, maar een vrucht van het geloof. Tegelijk blijft de Wet voor de gelovige gedurig een tuchtmeester tot Christus. Er is geen ware zondekennis buiten het geloof om."
Ook zijn broer, ds. J.C. den Ouden (HHK-Rijssen), leert in het blad 'Terdege' van 28 Nov. 2007: "Zondekennis is een vrucht van het geloof." (TRD. pag. 94).

Hetgeen ds. P. den Ouden hierboven beweert is een lasterlijke voorstelling van zaken. Calvijn was -volgens zijn eigen zeggen- een leerling van Luther t.a.v. de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze, maar Calvijn heeft die leer niet uitgebouwd, maar t.a.v. de heiligmaking veel eerder afgezwakt, of daar tenminste aanleiding voor gegeven. In Calvijn's theologie overheerst de zgn. 'wedergeboorteleer' en dat gaat altijd ten koste van de leer van de rechtvaardiging van de goddeloze. En die 'ligging' is juist de baarmoeder gebleken van alle dwalingen waarmee de huidige kerken zwaar besmet zijn, ook ds. P. den Ouden. Bovendien heeft Luther de Wet Gods niet teniet gedaan als zijnde een gepasseerd station na de rechtvaardiging door het geloof. Nee, de Wet heeft Luther alleen maar bevestigd door het geloof (Rom. 3:31), maar alleen en uitsluitend met het geloofsoog op Christus. Vandaar dat Luther zo radicaal de Wet terzijde stelt als het gaat om de gerechtigheid des geloofs, ook in het leven der heiligmaking. Dat wist die Godsman vanuit zijn eigen leven te vertellen en ik ben bevreesd dat P. den Ouden alleen maar spreekt vanaf de boekenplank en vanaf de kaften van Calvijn Luther zo laaghartig in discrediet stelt. Luther heeft op grond van Gods Woord de Wet als bediening des doods geleerd, voorafgaand aan de rechtvaardigmaking. In dit kader lost het Evangelie de Wet af en dan keert de Wet als zodanig niet terug in het leven der genade, want Gods ware volk is niet onder de Wet, maar onder de genade (Rom. 6:14-15). In die zin heeft de Wet afgedaan, namelijk voor het geloof, want de Wet is niet uit geloof (Gal. 3:12). Doch daarover straks meer.
Uit de opmerkingen van de gebroeders Den Ouden is duidelijk op te maken dat zij van de verhouding van Wet en Evangelie theologisch-exegetisch NIETS verstaan en ook bevindelijk niet. Hetgeen zij beweren is louter ploegen met het kalf van de ketterse pelagiaan, Karl Barth, wat ook overduidelijk blijkt uit de blauwdruk-visie van P. den Ouden over het huwelijk in hetzelfde Terdege-nummer. We komen daar nog wel op terug. Luther had het van God geleerd, maar P. den Ouden zegt: "Luther heeft me geleerd..." (GZG pag. 8). Paulus schrijft in Galaten 1:12 daarentegen: "Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus." AMEN!
Van de bijbelse radicaliteit omtrent de bediening van Wet en Evangelie, zoals Luther en vooral ook Kohlbrugge hebben geleerd, moeten de gebroeders Den Ouden NIETS hebben. P. den Ouden constateert in onze dagen een vermenging van Wet en Evangelie, nota bene een dwaling waaraan hij zelf zwaar schuldig staat. Lees: LEERREDENEN / HANNA'S HELLEVAART, waarin de ketterijen van ds. HHK ontmaskerd en weerlegd worden. "Ds. HHK" is namelijk niemand anders dan ds. P. den Ouden! Of hoe die man ook heten mag.
En dan leren de gebroeders Den Ouden ook nog eens dat de kennis der zonde een vrucht van het (zaligmakende) geloof is. Een ketterij der ketterijen. Gods Woord leert: "Door de Wet is de kennis der zonde", Rom. 3:20b. En Paulus leert duidelijk dat de Wet NIET uit het geloof is. "En dat niemand door de Wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Doch de Wet is niet uit het geloof; maar de mens, die deze dingen doet, zal door dezelve leven", Gal. 3:11-12. De kennis der zonde gaat wel door NA de wedergeboorte, maar gaat dan gepaard met een evangelisch berouw als vrucht van de genade in Christus. De Wet gaat aan het Evangelie vooraf. Wet en Evangelie strijden voor hetzelfde doel, namelijk de ere Gods. De Wet eist volmaakte werken en het Evangelie openbaart de Wetsvervuller, Christus, aan ter dood veroordeelden, wiens al hun (on)deugden een wegwerpelijk kleed geworden zijn. Ja, die McCheyne wist er wat van en met recht noemt men zijn belijdenis "Het Wachtwoord der Hervormers." Toen Robert de Wetsdood stierf, was het einde der Wet, Christus, zijn Deel. "En mijn God sprak mij vrij", ja, op grond van het volmaakte borgtochtelijke werk van Christus.

Het klinkt heel aannemelijk dat de kennis der zonde ten aanzien van het stuk der ellende door het ware geloof is, maar het is verre van bijbels, zoals we uit het Woord hebben bewezen. Niet het geloof, maar de Wet is de kenbron der zonde en de bediening der Wet gaat aan het geloof vooraf (Joh. 16:8). De Wet overtuigt de zondaar in het geweten, namelijk dat hij vervloekt en met heel de wereld voor God verdoemelijk is, omdat hij niet gebleven is in het boek der Wet om die te doen. En ja, zulke ontdekte zielen hebben weleens van Christus gehoord, maar ze hebben de stemme des Zoons van God nog nooit gehoord (geloofd), want die ze gehoord hebben, zullen leven. In de fase van het stuk der ellende is men nog dood in zonden en misdaden, hoewel ontwaakt in het geweten, maar dat was Judas ook, echter de overtuiging bracht hem aan de strop, omdat hij nimmer tot de kennis der Waarheid gekomen is, maar volhardde in zijn ongeloof en niet wenste dat Christus Koning over hem zijn zou.
Dus door de Wet is de kennis der zonde en de Wet maakt de zonden levend (Rom. 7:9b). De Wet beteugelt de zonden niet, maar wekt die op. Daarvan is de Wet niet de oorzaak, maar het verdorven vlees dat zonder de Wet leeft en onder de Wet dood is in zonden en misdaden. De ellendekennis voor de wedergeboorte geschiedt uitsluitend door de bediening der Wet en niet door het geloof. Als de kennis der ellende door het geloof zou zijn, dan geeft men de onbekeerden een gegronde reden om onbekeerd te zijn, want die kunnen zich dan beroepen op de drogreden dat zij het ware geloof nooit als gave Gods ontvangen hebben. Zo leert Gods Woord het duidelijk niet! God heeft immers alle gewetens mee, ook van de onbekeerden, hoewel lang niet iedereen zodanig overtuigd wordt van zijn zonden en ongeloof dat hij der Wet sterft (Gal. 2:19a), want in die doorgang door de Enge Poort ligt juist de eeuwige genadewinst, namelijk in Gode levendgemaakt en in Christus te zijn, zoals geschreven staat in Galaten 2:19b-20.
Dus door de Wet is de kennis der zonde. Paulus bevestigt dat feit in Romeinen 7:7b: "Ja, ik kende de zonde niet dan door de Wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de Wet niet zeide: Gij zult niet begeren."
De Wet ontdekt en verdoemt en het Evangelie bedekt en spreekt vrij. Die orde is nooit om te draaien, al klinkt het nog zo "evangelisch". Met al zijn nevendwalingen was Luther hierin zuiverder en radicaler dan Calvijn. Ik zou Calvijn, hoewel hij een groot theoloog was, nooit de opvolger van Luther durven noemen, en Melanchton evenmin. De enige theoloog die de herontdekte leer van de rechtvaardiging van de goddeloze -zoals Luther die op grond van Gods Woord geleerd heeft- op een bijbels radicale wijze heeft vertolkt en in al zijn facetten heeft verklaard, is niet zozeer Calvijn, maar veeleer dr. H.F. Kohlbrugge (niet te verwarren met de kohlbruggianen). Kohlbrugge heeft theologisch gezien aan de Reformatie een nieuwe dimensie gegeven, maar dat wordt tot op de dag van vandaag door weinigen erkend en verstaan, ook niet door de zogenaamde kohlbruggianen. Kohlbrugge wordt wel (eenzijdig) geciteerd, zelfs door arminiaanse bewegingen, zoals de SRA, maar dat heeft men met de woorden van Christus ook gedaan, namelijk eenzijdig en naar het vlees verklaard.
Zo doet P. den Ouden ook met Luther en feitelijk noemt hij Luther een antinomiaan, zoals ook Kolhbrugge door de neonomianen is verketterd. Er is niets nieuws onder de zon. Het zuivere geestelijke onderscheid tussen Wet en Evangelie leer je niet door de boeken van Luther, Calvijn of die van Kohlbrugge te lezen, maar alleen door de geloofservaring van Galaten 2:19. Alleen in de doorgang door de trechter van Galaten 2:19 (Enge Poort) ligt de kennis van het einde der Wet, Christus, verklaard en wel tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft. Als je aan de Wet gestorven bent door de dood van Christus, dan zal je de Wet NOOIT meer als regel des levens voor de gelovigen voorschrijven, hetgeen P. den Ouden wel doet. Als Christus het Voorwerp des geloofs is [en dat is Hij], is Hij ook onze Wandel, want in Hem leven en bewegen wij (Hand. 17:28). Of moeten we een natuurlijk levend mens leren hoe hij ademen en lopen moet? Dat is een natuurlijke scheppingsvanzelfsheid, daar denkt geen mens bij na. Welnu, zo is het ook geestelijk. De wandel des geloofs is een heilige herscheppingsvanzelfsheid, die in Christus volmaakt is (Filip. 3:20 - 1 Pet. 3:16) en vanzelf ook naar de Wet Gods is. Het geloof is niet tegen de Wet, juist niet, maar de Bron der zaligheid is niet de Wet en bestaat niet uit regels hoe men leven moet, maar dat is Christus Zelf en naast Christus bestaan er geen regels hoe men leven moet, want dan leeft men in het geheel niet. Het huidige (neo)calvinisme noemt Christus goed voor de verlossing, maar in het stuk der dankbaarheid meent men in staat te zijn zelf de Wet ter hand te kunnen nemen en over een geloofsvermogen te beschikken waarmee men scheepsladingen goede werken denkt te kunnen verzetten. Zo redeneert iedere belijder die NIET aan de Wet gestorven is en dat zijn de bewegingen van het vrome vlees. Zijn we niet aan de Wet gestorven, dan leven we nog onder de Wet voor eigen rekening en zijn we met de ganse wereld voor God verdoemelijk.
Mensen, zoals P. den Ouden, werpen ons altijd voor de voeten dat de bediening des doods die voorafgaat aan de wedergeboorte een voorwaardelijke leer zou zijn. Om die drogreden kaderen zij het stuk der ellende bij de wedergeboorte in. En dat is juist verraad aan de bijbelse leer der Reformatie. Niet wedergeboren mensen worden gerechtvaardigd, maar goddelozen, die met het vonnis des doods in hun leden er vastelijk van overtuigd zijn nooit meer zalig te kunnen worden, afgesneden uit het land der levenden, dood liggen in zonden en misdaden, vertreden in hun geboortebloed. ZO VINDT CHRISTUS ZIJN VOLK! En in dat oordeel spreekt Hij hen vrij. Zo heeft Luther het geleerd en zo leert al Gods ware volk het. Ze komen van de dood in het Leven, van de hel in de Hemel en mijn Hemel is Christus. Amen. Zo leeft Dien Vorst altoos, zo leeft Hij eindeloos. Hij in mij (piet goddeloos) en ik in Hem, zo reist Gods volk als geheel vleselijk, doch volmaakt heilig in Hem, dwars door de hel naar het hemelse Jeruzalem. Amen.

GPPB.

VAN HHK TOT HEIPAAL  Klik hier       
Plaats in winkelmandjeMandje
"Puriteinen sloegen theologische heipalen"
VEENENDAAL - Als student theologie las ds. P. den Ouden het boek ”The Reformed Pastor” van de Engelse puritein Richard Baxter. Het boek was voor hem zo confronterend dat hij zich afvroeg of hij nog wel predikant kon worden. Met deze persoonlijke herinnering begon de predikant uit Wouterswoude zaterdag in Veenendaal zijn lezing over de prediking in de puriteinse traditie. Hij sprak op de studiedag van de George Whitefield Stichting, die gewijd was aan het thema gemeenteopbouw. In zijn boek tekent Baxter de verantwoordelijkheid, de ernst en de heerlijkheid van het werk van een pastor. Een van de eerste vereisten voor een predikant is volgens de puriteinen dan ook dat hij God moet hebben gezien, aldus ds. Den Ouden onder verwijzing naar het boek ”The art of prophesying” (De kunst van het prediken) van William Perkins. Perkins ziet het roepingsvisioen van Jesaja in Jesaja 6 als voorbeeld voor predikanten. „Ware dienaren van God zijn te herkennen aan een diep gevoel van vrees bij het besef van hun bediening.” De puriteinen kennen soortgelijke ervaringen als Jesaja en dat stempelt hun prediking, aldus ds. Den Ouden. (Lees gehele RD-artikel via 'Klik hier' link)

Commentaar
Zo, dus ds. P. den Ouden is baxteriaans gebakerd en noemt Richard Baxter een puritein. Baxter was echter een uitgesproken neonomiaan (iemand die van het Evangelie een nieuwe wet maakt en aan de eigenlijke functie van de Wet voorbijgaat). O, dus ds. Den Ouden wil neonomiaanse heipalen om de gemeente slaan, (normaal sla je die ónder een huis), vandaar dat HHK-Wouterswoude zo scheef staat als de toren van Pisa, aangezien al die baxteriaanse heipalen eeuwig te kort zijn voor je ziel en zaligheid. Allemaal van die neonomianse heipalen en zijpalen die echter op drijfzand gegrond zijn. Allemaal van die theologische heipalen die door ds. Den Ouden via de stichting Whitefield de grond in worden geslagen en in China weer bovenkomen. Wat heb je nu aan zo'n bouwvallig fundament? Bovendien, Stichting Whitefield heeft NIETS van ds. George Whitefield, want zij schelden op de van God geleerde ds. W. Huntington en geven de arminiaan Wesley een digitaal eredoctoraat en een papieren leerstoel. Daar komen dan al die kromme heipalen van Den Ouden nog bij, waarop je nog geen kliko kunt bouwen. De Kerk van Christus is niet gebouwd op baxteriaanse heipalen, want die rotten al voordat ze de grond ingaan, maar op het fundament van de leer van de apostelen en profeten waarvan Jezus Christus de uiterste Hoeksteen is. Ik zou ds. Den Ouden willen adviseren: laat die baxteriaanse heipalen maar voor wat ze zijn en kom maar gauw uit die werkheilige heistelling, want het fundament der Kerk is allang gelegd. "Want niemand kan een ander fondament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus", 1 Kor. 3:11. En als Den Ouden toch meent zulke baxteriaanse heipalen de kerkelijke grond in te moeten slaan, laat hem dan bij zichzelf beginnen met het hoofd naar beneden, want aan één Hoofd heeft de Kerk genoeg. "Evenwel het vaste fondament Gods staat, hebbende dit zegel: de Heere kent degenen die de Zijnen zijn", 2 Tim. 2:19a.

GPPB.


http://www.derokendevlaswiek.nl