DE LIEFDE DES VADERS
DE LIEFDE DES VADERS (1)        
Plaats in winkelmandjeMandje
Een preek voor de zwakken in Christus, de verlatenen, de eenzamen in Christus, aan datgene, wat niets is.

Het grove misbruik dat van dit soort preken gemaakt wordt in onze dagen, sluit het goede gebruik in en door Christus niet uit; het was als hernieuwde zalfolie voor mijn geteisterde ziel. -GPPB.

------------------------------------------

LEERREDE OVER 1 JOHANNES 1:3.

Deze leerrede is gehouden door dr. H.F. Kohlbrugge te Elberfeld op 17 Juli 1849 voormiddags.

Geliefden, ik wil u prediken, van de gemeenschap, die de gelovigen hebben met de volzalige en algenoegzame God. Wie mede deel heeft aan deze gemeenschap, mag zich verheugen. Wie van ver staat en in deze gemeenschap wenst opgenomen te zijn, die mogen daardoor de stenen uit de weg geruimd worden. En wie van deze gemeenschap hoort, maar tot heden haar waardij, heerlijkheid en liefelijkheid nog niet kent, die moge met innig verlangen er naar bezield worden.

Ik predik van een gemeenschap, die voor de ogen der wereld verborgen is, die nochtans wereld, dood, duivel en allen druk en jammer overwint. Van een gemeenschap predik ik, die het mom van het kruis draagt, en welker banden enkel verdrukkingen schijnen te zijn, benevens angst en allerlei gevaren, smaad, hoon en verachting van de zijde der wereld. Van een gemeenschap, waarvan het, naar het uiterlijk voorkomen, moet gezegd worden: men scheldt ons, men lastert ons, men maakt ons verdacht, wij worden steeds voor een vloek der wereld gehouden en voor aller afschrapsel.

Zoals geschreven staat: "Wij worden om Uwentwil de ganse dag gedood en zijn geacht als schapen ter slachting". Nochtans predik ik van een gemeenschap, waarin wij, zelfs wanneer wij er toe behoren, naar de inwendige mens, de heerlijkste lieden zijn, louter Koningskinderen, die hemelbrood eten, die wijn drinken, zoals er op aarde niet was, en woning hebben in een huis, groter en heerlijker dan de ganse wereld, en waar wij ons bevinden in gestadig verkeer met de volzalige God, smakende Zijn liefelijkheid voor en na.

Het hart, als zou het anders ook van treurigheid willen breken, moet op eens bij een ieder, die van deze gemeenschap iets bij bevinding kent, als het kindeke in het lichaam van Elisabeth, opspringen. Want dat weet hij immers, en ieder moet zulks weten, dat er, sedert Adams ongehoorzaamheid, voor geen mensenkind van nature ook maar de minste gemeenschap met God bestaat, maar een eeuwig gescheiden zijn van God, een wederzijdse harde vijandschap. Maar zo sprak er Een, de enige Mens in genade, onze Heere Jezus Christus: "Ik ben de deur. Indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden, en bij zal ingaan en uitgaan en weide vinden" (Joh 10:9).

Dat de genade van deze gemeenschap, dat zulk een barmhartigheid, volgens welke God spreekt: "Ik zal onder u wonen, en zal uw God zijn, en gij zult mijn zonen en mijn dochteren genaamd worden, en uw ongerechtigheden en uw zonden zal Ik niet meer gedenken", ons meegedeeld wordt, hangt alleen van Hem af. Hij vermag ook alleen zulk een genade uit het hart van de Vader ons bekend te maken en te openbaren.

Want Hij heeft zulke genade, zulke gemeenschap voor ons verworven, toen Hij aan het kruis vrede gemaakt en ons tot God gebracht heeft door het bloed Zijns kruises. Alleen door Zijn offerande, alleen door Hem hebben wij, die verre waren, in ene Geest toegang tot de Vader. Alleen in Hem hebben wij de vrijmoedigheid van zodanige toegang met alle verzekerdheid (Ef. 3.12) want Hij, die onze Vrede is, is de Weg.

Door het voorhangsel van Zijn vlees gaat het heen tot de troon der genade. Heeft men deze weg gezocht en zoekt men die, heeft men dezelfde ingeslagen en slaat men die in, en blijft men in deze weg met verloochening van zichzelf, van de wereld en van hetgeen in de wereld is, zo vindt men terwijl men anders er toch met schrik tegen opziet, voor God te verschijnen, dat de oneindige, heilige en onbegrijpelijk heerlijke God verdoemenswaardige zondaars verkiest tot Zijn vrienden, hun zonden hun vergeeft, en hen bij Zich toelaat, om te wonen in Zijn voorhoven, met Hem een te zijn en met Hem te wandelen en rijken troost te hebben van Zijn huis. (Ps 65:4).

Ja gewis, in zulk een weg, want de kennis van zulk een gemeenschap is verborgen in Christus, ondervindt men, hoe God Zijn vreugde en het welbehagen van de liefde heeft in een mensenkind, zodat Hij Zichzelf aan hem mededeelt, en met Zichzelf alles wat Hij heeft, en hem zo lief heeft met onuitsprekelijke liefde. Zulks wil ik u nu breder ontvouwen, opdat gij, ouden, nogmaals opspringt van vreugde in uw God, opdat gij, jongelingen, uw sterkte kent tegen duivel en wereld, opdat gij, kinderen, de Vader liefhebt, en opdat het schip van de een en de andere aan de verzwelgende zee der wereld en der zelfzucht ontkomt en binnengedreven zij in de haven der vrije ontferming, der volheid Gods en van Christus.

"Hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat gij ook met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met de Vader en met zijn Zoon Jezus Christus."

Uit dit vers brengen wij op de voorgrond de woorden:

"Onze gemeenschap met de Vader", terwijl wij op het navolgende de aandacht vestigen:

1. Wat de gemeenschap met de Vader is, en waarom er bijzondere melding van gemaakt wordt.
2. Waarin deze gemeenschap zich voornamelijk openbaart.
3. Waarin de liefde van de Vader tot ons en onze liefde tot Hem overeenkomen, en waarin zij van elkaar onderscheiden zijn.
4. Maken wij enige opmerkingen tot onze lering, vermaning en vertroosting.

Wat is die gemeenschap met de Vader, en waarom wordt van deze bijzondere melding gemaakt? Dat is de gemeenschap, welke hier bedoeld wordt, dat de Vader Zichzelf, met alles wat Hij heeft, de gelovigen mededeelt, en dat de gelovigen zichzelf aan Hem overgeven, zoals zij zijn en met alles wat zij hebben, zoals de Vader het wil. Deze gemeenschap berust op de eenheid en vereniging, die wij in onze Heere Jezus Christus met God hebben.

Er is een persoons-gemeenschap en een goederen-gemeenschap. De personen zijn hier God en een arme zondaar. En de goederen zijn louter hemelse en eeuwige. God is hier de Eerste en de Hoogste, en de goederen komen ook alle van Hem. Deze gemeenschap is tweevoudig: zij is hier onvolkomen, en bestaat in de eerstelingen der volkomenheid, welke wij hier hebben in de genade.

Zij zal volkomen zijn in de volle vruchten der heerlijkheid van Hem, die het einde onzes geloofs is, het hoogtepunt van hetgeen wij zullen genieten, wanneer wij Hem eenmaal zullen zien. De ganse mededeling van deze gemeenschap bestaat in geven en in omvangen, terwijl God en de begenadigde tezamen zijn in een verbond van vrede, dat voor de tijden der eeuwen gemaakt is in het bloed van Christus.

Johannes, de apostel en evangelist, onderwijst hier degenen, welke in gevaar waren door verleidende leraars van de genade weggetoverd te worden, dat zij blijven mochten in de leer van Christus, welke zij geleerd hadden door de Heilige Geest, en alzo blijven mochten in de gemeenschap met Hem en met alle getrouwe discipelen en belijders der leer van Christus. Wanneer zij in deze gemeenschap bleven, of zelfs wanneer zij gezondigd hadden en de valse leer gehoorzamende, uit die gemeenschap waren uitgetreden, weer tot haar terugkeerden, zo zouden zij gemeenschap hebben met de Vader en met Zijn Zoon Jezus Christus.

Deze woorden "gemeenschap met de Vader" hebben hier een eigenaardige betekenis. De Vader is hier de God en Vader van onze Heere Jezus Christus. Hij is Degene, die tot Christus gezegd heeft: "Gij zijt mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd." Deze heeft Zijn Zoon gezonden tot een verzoening van onze zonden. Hij heeft Hem gezonden, opdat verlorenen, die door Hem, de Vader, tot de Zoon getrokken zijn, door de Zoon, zijnde Deze de verzoening en het leven der verlorenen, tot de Vader zouden teruggebracht worden. De Vader geeft getuigenis van de Zoon, dat in deze Zoon het leven is, en dat Hij het eeuwige leven gegeven heeft.

Hij geeft getuigenis van de Zoon, opdat wij in de Zoon geloven, Hem aannemen en in het geloof bezitten, opdat wij alzo de Vader hebben, terwijl wij de Zoon hebben. Zo heet dan God hier de Vader, en is van Zijn gemeenschap het eerst sprake, terwijl uit Hem alle dingen zijn. Immers uit Hem, de Vader, is het, dat wij geschapen zijn, en uit Hem is het ook, dat wij, die door onze zonde en onze afval in Adam geheel en al van Hem gescheiden en verwijderd zijn, wederom tot Hem zijn teruggebracht.

Uit Hem, de Vader, is het eeuwige voornemen om ons te verlossen, de eeuwige raad van Zijn wil, om ons zaliggemaakt te hebben, tot lof en prijs van Zijn grote barmhartigheid en goedertierenheid. Zoals Hij het raadsbesluit tot onze zaligheid genomen heeft, zo heeft Hij insgelijks de weg en de middelen er toe ontworpen en op zijn plaats gebracht. Gelijk geschreven staat: "Uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave, niet uit de werken" (Ef. 2:8).

Zoals Hij Zijn Zoon daartoe geroepen en gegeven heeft, dat wij door Hem wederom tot Hem, de Vader, zouden zijn teruggebracht, zo zijn wij ook Gods maaksel in Christus Jezus, geschapen tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in de dag des oordeels bevonden zouden zijn als diegenen, die daarin gewandeld hebben.

Wijl alzo de Vader alle genade mededeelt als de Oorzaak, de Bronwel en Springader van ons zaligheid, volgens Zijn Eigen macht, autoriteit (gezag) en onafhankelijkheid, daarom wordt Hij het eerst genoemd. Johannes had kunnen schrijven: "De gemeenschap met God", maar bij schrijft: "De gemeenschap met de Vader", terwijl er iets zeer liefelijks en levengevends in deze Naam ligt.

Immers het hart wordt daardoor met troost vervuld, dat de God en Vader van onze Heere Jezus Christus in Christus jegens ons dezelfde gezindheid heeft, die een liefhebbend vader jegens zijn kinderen heeft, zodat wij alzo Hem geloven, Hem liefhebben, Hem vertrouwen en met vreugde gehoorzamen, daar Hij met Christus ons Zichzelf en met Zichzelf aan ons alles geven zal, wat wij voor dit en het toekomende leven behoeven, ook alle kwaad van ons weren of ten onze beste keren zal.

Wat nu gemeenschap betekent met zulk een Vader, verstaat men eerst dan recht, wanneer men het bedrog en het bittere der wereld gesmaakt heeft, het gif der zonde en van de dood in de leden heeft voelen werken, en ondervonden heeft, zonder God en zonder hoop in de wereld te zijn. Wanneer men, niet anders dan verdoeming moetende verwachten, op eens vergiffenis vindt.

Dan, wanneer wij de Vader zien op de troon der genade, nadat wij het Lam Gods hebben aanschouwd, dat onze zonden heeft weggedragen, en wij toegelaten zijn geworden tot Hem, zodat wij van vijanden Zijn vrienden geworden zijn, en wij bij Hem een bedekking der genade en een gerechtigheid gevonden hebben, zoals vlees zelfs niet heeft kunnen vermoeden.

Dan, wanneer Hij de gouden scepter ons toegereikt, ons ook opgenomen heeft in Zijn schoot, wanneer Hij ons aan Zijn hart gedrukt en met Zijn genade en Zijn vrede begiftigd heeft, wanneer ons toegeroepen is: "Mijn genade zal van u niet wijken, en het verbond van Mijn vrede zal niet wankelen in der eeuwigheid", dan kennen wij zulk een gemeenschap in haar betekenis, liefelijkheid, heerlijkheid, in haar troost en haar almachtige werking.

Wij lezen in de Heilige Schrift van gemeenschap met de Vader, van gemeenschap met de Zoon, en van gemeenschap van de Heilige Geest. Deze gemeenschap wordt onderscheidenlijk vermeld. Niet, alsof de werking van de een Persoon die van de Andere uitsluit, maar omdat de drievoudige gemeenschap van bijzondere werking is, volgens de huishouding der genade.

Zo staat er, bij voorbeeld, geschreven in de profeten: "Zij zullen allen van God geleerd zijn." Derhalve zegt onze Heere: "Wie het van de Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot Mij." Wederom heet het van de Zoon: "Hoort Hem, en Een is uw Meester, namelijk Christus." En wederom van de Heilige Geest: "De Heilige Geest zal u alles leren". Waarom ook de apostel schrijft: "Wij spreken met woorden, welke de Heilige Geest leert."

Zo deelt dan de Vader alle genade mede als de Oorsprong. De Zoon deelt alle genade mede als Degene, die haar als een schat voor ons verworven heeft. De Heilige Geest deelt alle genade mede door inwendige werking.

Waarin openbaart zich deze gemeenschap voornamelijk? De gemeenschap met de Vader komt voornamelijk aan de dag in Zijn liefde. Daaraan zien wij, hoe wij, wanneer wij op de Zoon zien, gemeenschap met de Vader hebben. Het is Zijn vrije, onverdiende, eeuwige liefde. Dit is het heilgeheim dat de Vader aan al Zijn kinderen openbaart, naar het verbond van Zijn vrede.

Dat is de wonderbaar heerlijke openbaring en bekendmaking van het Evangelie Gods. Zo iets vinden wij niet bij de Wet. Daar vinden wij de vloek, en in ons hart zijn slechts gewaarwordingen van gramschap en toorn Gods, ook louter kwade gedachten aangaande de hemelse Majesteit. Het Evangelie echter predikt ons: "God is liefde." Wij lezen van de liefde van de Vader, van de liefde van Christus en van de liefde van de Geest.

De liefde van de Vader, welke in zijn gemeenschap aan de dag komt, is niet alleen van een oneindig genadige, tedere, medelijdende en liefelijke natuur, maar ook zulk een, die op zichzelf reeds alle gedachten, alle verstand ver te boven gaat, en zichzelf in vrije ontferming aan ons mededeelt, zoals ook de apostel betuigt: Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door Hem."

Van deze liefde is het dat onze Heere getuigt: "De Vader Zelf heeft u lief." En waarvan een apostel schrijft: "De liefde Gods zij met u allen." En wederom: "De liefde Gods is uitgestort in onze harten door de Heilige Geest, die ons is gegeven." En wederom: "God bevestigt zijn liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren."

Welk een liefde, die zich uit vijanden vrienden, uit zondaren bezitters der zaligheid Gods maakt! Hoe straalt zij ons in haar dubbele heerlijkheid tegen! Zij is immers ten eerste: een liefde van het goedertieren en vrijmachtig welbehagen, van een eeuwig voornemen, krachtens hetwelk het heet: "Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft."

Waarlijk dit is een liefde van een vrijmachtig en eeuwig raadsbesluit en van een wil, om goedheid te bewijzen aan diegenen, die verdiend hadden eeuwig van Zijn aangezicht verstoten te worden. Volgens deze liefde onderscheidt Hij u van andere, en verkiest Hij u naar dit Woord: "Ik ben gevonden van degenen, die naar Mij niet vraagden."

Voorts is het een liefde der vriendschap, zoals onze Heere Jezus belooft aan allen, die Hem liefhebben: "Mijn Vader zal hem liefhebben, en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken." Dat toch velen van u, die kwade gedachten van God koesteren, alsof de Heere Jezus alleen goed ware, maar de Vader hard en gestreng, deze liefde van de Vader recht bedenken! Zij toch is de Bron, waaruit alle genade bedelingen mild vloeien. De genade, welke op de lippen van de Heere Jezus uitgestort is, heeft de Vader daarop uitgestort.

En zo de Vader geen gedachten van vrede had over een in zichzelf verlorenen zondaar, Hij zou Zijn Zoon voor ons niet overgegeven hebben. Er is geen Heere Jezus dan uit de liefde van de Vader, dan voortgekomen uit de vrijwillige liefde, waarmee de Vader ons liefgehad heeft. Daarom schrijft ook de apostel: "Maar wanneer de goedertierenheid van God, onze Zaligmaker, en Zijn liefde tot de mensen verschenen is, heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid, die wij gedaan hadden, maar naar zijn barmhartigheid", (Tit 3:4-5).

Daaruit zien wij, dat die grote verandering, die herschepping, die wedergeboorte, die toebrenging van alle degenen, die verlost worden, uit de liefde van de Vader voortkomt. Deze liefde keert zich uit eigen beweging tot degenen, die zij wil liefhebben. Zij deelt zich geheel mede aan degene, die zulk een liefde waard is. Zulk een liefde is in Gods ogen waard hij, die zelf zich zulk een liefde onwaardig keurt en bekent haar onwaardig te zijn.

Deze liefde komt over een mens zo, dat zij het geloof werkt. En in dit geloof geeft de ziel aan die liefde hand en hart, het oprechte jawoord. Wie haar begeert te hebben, gelooft deze liefde, geeft de dode werken er aan en trede vrijmoedig door Christus Jezus tot zulk een liefde toe, zo zal hij die liefde gewaar worden van de Vader der heerlijkheid, en met zijn hand schrijven: "Ik ben van de Heere!"

In de aanvang van de weg ligt het bij de meeste gelovigen zo, dat zij slechts gewagen van de liefde van de Heere Jezus. Van de liefde van de Vader hebben zij het rechte begrip niet. Veeleer voeden zij daartegenover bange gedachten, en blijven derhalve bekommerd, niet doorbrekende tot het volle licht van de liefde Gods tot de verlorenen. Wij mogen echter onze ziet volkomen laten rusten in de liefde van de Vader.

Het is Gods wil, dat wij Hem altijd aanmerken als een genadige, liefderijke, vriendelijke en goede Vader, die juist als Vader onveranderlijk is in Zijn liefde, daar Hij de Bronwel is van onze ganse zaligheid. Zulk een Vader-Naam meende de Heere, toen Hij sprak: "Ik heb uw Naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt."

Liefde wekt liefde. De Vader heeft lief, opdat Hij door ons kinderlijk geliefd wordt. "Mijn zoon", zegt Hij, "geef Mij uw hart, en laat uw ogen Mijn wegen bewaren". Derhalve Hij ook beveelt: "Gij zult de Heere, uw God, liefhebben van ganser hart." O, waar wij God beschouwen als liefde, juist in zulk een gemeenschap en mededeling van de liefde, hoe oneindig liefelijk, hoe begeerlijk moet Hij ons daar niet worden!

Kunnen wij in zulk een liefde niet volkomen zeker rusten? Zullen wij bij haar niet vertoeven met een volkomen blijdschap en ons in haar verlustigen? Liefde is toch in de grond der zaak naar haar wezen geneigdheid tot vereniging met diegene, die men liefheeft. Het is de begeerte om in de nabijheid te zijn van het Voorwerp van de liefde. Het is het verlangen naar de blijdschap en rust van het hart, die in de gemeenschap met de geliefde wordt gesmaakt.

Wordt dan de Vader aanschouwd als Degene, die de liefde werkt, zo moet zulks ons wel wederom in liefde en in dank doen ontvlammen. Van deze wederliefde, door de liefde Gods gewekt, komt het in het geloof, dat wij aannemen, dat wij ontvangen, dat wij gehoorzamen. En waarheid wordt wat de apostel schrijft: "Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad."

Overwegen wij nu, waarin de liefde van de Vader en onze liefde tot Hem overeenkomen, en waarin zij van elkaar onderscheiden zijn.

Daarin komen de liefde van de Vader tot ons en onze liefde tot Hem overeen, dat zij beide zijn een liefde in volkomen rust en in volkomen vergenoegdheid. Zodanig is de liefde Gods, zoals wij haar beschreven vinden bij Zefanja. (Zef. 3:17) "Hij zal over u vrolijk zijn met blijdschap, Hij zal zwijgen in Zijn liefde."

Zwijgen zal Hij in Zijn liefde,
rusten met vrolijkheid en blijdschap, zonder op degene, die Hij liefheeft, verstoord te zijn. Geen ander voorwerp van Zijn liefde zal Hij zoeken. Die Hij liefheeft, heeft Hij eens voor altijd lief. Zijn liefde blijft op de ziel rusten. Hij zal over die, die Hij liefheeft, vrolijk zijn met gejuich, als iemand, die met het voorwerp van zijn liefde volkomen tevreden is.

De terugslag, die zulk een liefde in het hart van de gelovigen teweegbrengt, is van gelijke aard als deze liefde zelf. Daarom zei David: "Mijn ziel, keer weer tot uw rust, want de Heren heeft aan uw wel gedaan (Ps 116:7).

De gelovigen hebben hun rust in God. Daarom zingt Asaf: "Als ik U maar heb, dan vraag ik naar hemel noch aarde", (Psalm 73:25 naar Luthers vertaling). Men is eindelijk met al wat men ter hand nam afgetobd. Daarom ziet men van alle bijzaken af, en rust geheel en alleen in de liefde van de Vader. "Uw goedertierenheid is beter dan het leven" (Ps 63:3).

"Assur zal ons niet behouden. Wij zullen niet op paarden rijden, en tot het werk van ons handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God. Immers zal een wees bij U ontfermd worden", (Hos. 14:3).

Ook komt de verenigende liefde Gods en der gelovigen daarin overeen, dat de weg, waarop de vrucht van deze liefde meegedeeld wordt, alleen in Christus is, door wie de Vader ons Zijn liefde deelachtig maakt. Hij is de schat, in Welke de Vader alle rijkdommen van Zijn genade gelegd heeft, en uit Welke Hij die aan ons mededeelt, ze nemende uit de nimmer uitdrogende bron van Zijn liefde.

Hij is de Hogepriester, in Wiens hand alle geestelijke offeranden, welke wij de Vader aanbrengen, gelegd zijn. Hij, onze Middelaar, de Middelaar Gods en der mensen. De Vader heeft ons liefgehad en uitverkoren voor de grondlegging der wereld. Maar als Hij in de tijd met Zijn liefde ons bezoekt, zegent Hij ons met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus.

Door deze Zijn liefde zendt Hij op ons van Hem, ons Hoofd en de waarachtige Aäron, de zalfolie, de Heilige Geest, neer, want het is het welbehagen geweest, dat in Christus alle volheid wonen zou. En uit Zijn volheid hebben wij allen ontvangen genade voor genade. Geen druppel dan uit deze oceaan van de liefde, tenzij door Christus! Wat wij Gode toebrengen, is de vrucht der lippen, is het geloof, geheel in Christus en door Hem. Hij draagt de ongerechtigheid van het heiligdom en van onze offeranden (Num. 18:1).

Onze liefde berust op de Vader, maar zij wordt in ons gewekt door de Zoon. Christus is de enige Weg zowel voor de genade die ons ten deel werd, als voor onze persoon, om tot God te naderen. Door Hem alleen wordt alle genade ons ten deel, door Hem alleen keert zich ook al onze begeerte, onze vreugde, onze lust, ons gehoorzamen tot de Vader. Maar hierin is onze liefde van die van de Vader onderscheiden: dat de liefde Gods een liefde is van geweldige, alles overtreffende goedheid en milddadigheid, daardoor een vrije liefde.

Daarentegen is onze liefde een liefde van verplichting. De liefde van de Vader is een alles overtreffende liefde, om ons niets dan goeds en grote dingen van eeuwige heerlijkheid te doen toekomen. Het is alles een vrije gave. Een liefde, als de liefde des hemels tot de aarde, wanneer de hemel vol van regen is, en de aarde dor en opengebarsten.

In stromen daalt die liefde neer, om het aardrijk te drenken, dat het vrucht voortbrengt, en alles prijkt in hemelse pracht. Zij is als de zee, welke diep onder de bergen aan de bronnen haar water mededeelt, zodat zij zelf de rivieren toevoert wat zij van deze terugontvangt, zonder dat de zee er van vol wordt. Gods macht en wil om lief te hebben is van allen tegenstand onafhankelijk. Hij breekt door, waar Hij wil, en doet wat Hem behaagt.

Onze liefde daarentegen is een liefde, welke wij Hem verschuldigd zijn, is de liefde van een kind. Zijn liefde daalt op ons vol weldadigheid neer en maakt, dat wij vrucht dragen. Onze liefde klimt tot Hem op door Zijn liefde in dankzegging en gebed, in gehoorzaamheid. Door Zijn liefde zijn wij die wij zijn, en laat Hij ons alles toekomen. Wij daarentegen laten Hem niets toekomen.

Van onze liefde ontvangt Hij geen vruchten. Onze liefde is niets meer dan de eer, die wij Hem als Vader schuldig zijn. Zijn liefde komt ons voor. Onze liefde is slechts een gevolg van de Zijne. Want: "Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat Hij ons heeft liefgehad, en Zijn Zoon gezonden heeft tot een verzoening voor onze zonden" (1 Joh. 4:9).

Zijn liefde gaat niet alleen onze liefde voor, maar ook al datgene, wat in ons begeerlijk voor Hem zou kunnen zijn. Het wonderbare van Zijn liefde is ons als zondaren ten deel gevallen. Al wat in ons is, staat aan Zijn liefde in de weg. Maar Hij overwint onze afkerigheid en ons weerstreven, en spreekt tot ons in onze bloede: "Gij zult leven, ja gij, in uw bloede, gij zult leven."

Nooit zou zich het schepsel tot God keren, zo niet eerst God Zelf op zijn hart zette. Nooit zullen wij Hem liefde toedragen, zo Hij ons niet eerst openbaart, welk een liefelijkheid en volkomen toereikend, welk een rust en zaligheid er in Hem voor ons gereed ligt in onze nood. God heeft ons lief om niet. Wij hebben Hem niet lief om niet, maar vanwege de liefelijkheid, die in Hem is.

"Ik heb lief", spreekt David, "want Hij hoort mijn stem." Waarlijk wij hebben Hem lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad! De liefde van de Vader en onze liefde zijn verder ook hierin onderscheiden: de liefde Gods blijft zichzelf steeds gelijk, zij is bestendig, houdt niet op, heeft haar gelijke niet. Maar onze liefde is, zoals wij zelf zijn, ongestadig, niet bestendig. Dan eens neemt zij toe, dan schijnt zij ten enenmale afgenomen te zijn.

De liefde van de Vader is eeuwig. Heeft Hij Zijn liefde op iemand gezet, op die blijft zij. Zij neemt niet toe door enige daad onzerzijds, zij neemt ook niet af door iets in ons. Daarnaast is zijn liefde een vruchtbaarmakende liefde, een weldadige liefde, die Hij ook laat ondervinden en smaken, volgens Zijn Woord: "Met eeuwige goedertierenheid zal Ik u vergaderen."

Onze liefde daarentegen is als eb en vloed, ongestadig als de wateren der zee. Op de smading van deze waarheid, door te beweren, dat men er dan maar op los zondigen kan, omdat de liefde Gods toch onveranderlijk is, antwoorden wij eenvoudig: Ware Gods liefde veranderlijk, geen vlees zou zalig worden. God verandert niet het voornemen van Zijn wil.

Al is het ook, dat de mededeling van Zijn goedheid verandert, Zijn goedheid zelf blijft nochtans geweldig in de wegneming van al onze zonden. Hij kastijdt en straft ons, zo wij overtreden. Hij verbreekt en verbrijzelt. Hij straft ons doen, want Hij is een rechtvaardige Vader. Maar wee ons, zo Hij in Zijn liefde veranderlijk ware of met Zijn goedertierenheid van ons zou wijken!

Wij besluiten met enige opmerkingen. Wie in de gemeenschap van het Woord der genade blijft, die blijft in de gemeenschap van de Vader. Laat ons daarbij evenwel Zijn barmhartigheid en de voorrechten, die Hij ons in Zijn Woord heeft meegedeeld, in waarde houden, en daarop uit zijn, om meer en meer van de liefde Gods te vernemen en te leren verstaan.

Onwetendheid ten opzichte van deze liefde is zonde, tegelijk ook de oorzaak van ons bekommering. Dat men het toch versta: dat het eeuwige leven bij de Vader was, en dat het ons van Zijnentwege is geopenbaard, van de zijde van Hem, die de Fontein des levens is. Zo wij meer verstonden van Zijn vrije liefde en barmhartigheid, wij zouden niet zulke boze gedachten van Hem voeden, als ware slechts in de Heere Jezus liefde en zoetigheid, terwijl deze toch uit en in de Vader en alzo in de Heere Jezus zijn.

Dat wij derhalve de Vader beschouwen als de liefde, en niet op Hem zien als op een Vader zonder liefde, maar als op een teder liefhebbende, goedertieren en genadige Vader. Dat wij op Hem zien in geloof, als op Eén, Die gedachten van vrede over ons heeft! Waarom denken velen van u aan Hem als aan een verterend Vuur? Heeft Hij een groter bewijs van Zijn liefde tot ons verlorenen kunnen geven dan dit, dat Hij Zijn Eniggeboren Zoon gegeven heeft, en dat uit Hem de ganse raad van ons zaligheid is voortgekomen?

Ziet uw Vader aan, hoe Hij vervuld is met eeuwige, vrije liefde jegens ons! Laat ons dan daarop acht slaan, Wiens deze liefde is. Het is de liefde van Degene, die algenoegzaam in Zichzelf en oneindig volmaakt is in Zijn deugden, en Die in Zichzelf rusten kan. Nochtans wilde Hij ons, Zijn vijanden, liefhebben. Daarin heeft Hij waarlijk niet Zichzelf gezocht, maar ons en onze zaligheid, en Hij wil in Zijn Zoon Zijn rust hebben in ons.

En van hoedanige aard is deze zijn liefde? Zij is eeuwig. Zij is van eeuwigheid voordat de fundamenten der wereld gelegd werden. Voordat wij waren en goed noch kwaad gedaan hadden, vatte Hij dit voornemen van Zijn liefde op, zette Hij Zijn hart op ons, en verordineerde voor ons Zijn Zoon tot onze Middelaar, tot onze verzoening. Zij is vrij, deze liefde. Hij heeft ons lief, omdat het alzo Zijn welbehagen is. Er is, er was ook niets in ons, waarom Hij ons zou liefhebben.

Wij hebben Zijn liefde nooit verdiend, wij zullen haar ook nimmer verdienen. Zij is onveranderlijk en oneindig, evenals Zijn lankmoedigheid, zonder welke wij zouden omkomen. Hoewel wij veranderlijk zijn, Zijn liefde laat zich niet verbitteren. Zij weet onderscheid te maken. Zij openbaart en geeft zich niet aan de wijzen en verstandigen, niet aan de sterken en machtige naar de wereld, niet aan degene, die iets is, maar aan de kinderen, de zwakken, de verlatenen, de eenzamen, aan datgene, wat niets is.

Opdat nu echter deze liefde op ons zij en ons met zaligheid vervult, daartoe hebben wij nodig het geloof, en dat wij het getuigenis van zulk een liefde met een gewillig hart aannemen. Wie de liefde van de Vader voorgehouden wordt, die zal in zijn gemoed overtuigd zijn, dat het werkelijk zo met de liefde van de Vader gelegen is. Het is God, onze Vader, welgevallig, dat wij gemeenschap met Hem houden in Zijn liefde.

Vlees en bloed zijn geneigd harde gedachten van Hem te voeden, als van iemand, die altijd toornt en voor Zijn arme schepselen niet is te genaken. Maar niets staat de Heere meer tegen, niets is de satan meer gewenst, dan juist zulke gedachten aangaande God. Met zulke gedachten bedroeven wij Zijn Geest. Hij wil van ons geliefd zijn, zoals Hij ons liefheeft. Daarentegen maken boze gedachten aangaande Hem Zijn toorn des te meer over ons gaande.

(Vervolg op volgende blok)

DE LIEFDE DES VADERS (2)        
Plaats in winkelmandjeMandje
Niets is Hem aangenamer, dan dat wij onze harten voor Hem openleggen, als voor de eeuwige Bron van heel deze rijke genade, welke de zondaar toestroomt in het bloed van het kruis. Daarom zoekt Zijn aangezicht, o al gij volk. Geeft Gode uw zielen over, om u in Hem te verlustigen, opdat Hij woning bij u gemaakt heeft. Waar het hart maar eens door het alles te boven gaande van de liefde van de Vader is ingenomen, daar zal het gedwongen zijn, voor eeuwig Hem lief te hebben en in waarde te houden.

Zet u maar een weinig neer aan deze Bron, en weldra zult gij gewaarworden, welk een zoetigheid er is in de liefde van de Vader. Wij mogen in onze uiterste nood het Woord aangrijpen, de liefde van de Vader geloven, het daarop wagen. En wij zullen niet beschaamd worden, wanneer wij in het aangezicht van onze Heere Jezus Christus onze Vader aanzien, Hem in het hart zien, hoe Hij de verlorene genegen is.

Mocht iemand van u daartegen inwerpen: "Zou ik het daarop wagen? Nee, dat durf ik niet. Ik weet niet of Hij mij wel liefheeft? Hoe, als het ten laatste toch openbaar werd, dat Hij mij niet aangenomen heeft?"

Zo antwoorden wij hem: dat het zien en het voelen van zulk een liefde, wanneer het gezond is, louter daarin gelegen is, dat wij zulk een liefde door het geloof ontvangen.

"Wij hebben bekend en geloofd de liefde, welke God tot ons heeft." "God is liefde", zegt het Woord. Maak de satan en uw hart tot leugenaars, maar niet Hem, die altijd de tollenaars gerechtvaardigd heeft, die van ver stonden, op hun borst sloegen, en uitriepen: "O God! Wees mij, de zondaar, genadig!" "Dat deze liefde er voor andere is, ja, dat weet ik. Maar is God ook voor mij de liefde? Dat kan ik niet aannemen. Hoe? Wat? Er is immers niets in mij, waarom God mij zou kunnen liefhebben", zo moge de een of ander tegenwerpen.

Wij antwoorden: Waarom wilt gij u dan uitzonderen, het zij dan dat gij vromer dan andere zoudt willen zijn? Zijt gij de meest verlorene, de armste, de ellendigste, dan is zij er voor u, deze liefde, welke vrijwillig liefheeft.

"Maar ik bevind niet, dat mijn hart zich in liefde tot God wendt", zegt weer een ander.
Maar, vriend! Gij wilt de liefde Gods wekken door uw liefde, die gij nooit bij uzelf vinden zult. God heeft ons eerst liefgehad. Geloof deze liefde, zonder dat gij liefde voelt, zo zal uw hart wel beginnen te branden. Hoe heerlijk, geliefden, zijn onze voorrechten, tot zulk een gemeenschap met de Vader te zijn toegelaten, te wonen in Zijn voorhoven, verzadigd te worden met het heilige van Zijn paleis, te staan en te dienen voor het aangezicht van de Vader, en door Hem "vrienden" en "kinderen" genaamd te worden!

Wilt gij zulke voorrechten niet als een schild en zwaard aan de duivel, de dood, de hel en de wereld, aan het aanklagend geweten en de bedenkingen van vlees en bloed, aan de boze gedachten aangaande God voorhouden? Voorwaar, naarmate gij ze de vijanden voorhoudt, zult gij steeds kunnen zingen: "De strik is gebroken, wij zijn ontkomen!"

Welk een troost is toch deze liefde in lijden, in smart, in verdrukkingen, in allerlei kruis, in smaad en droefenis! Zij doet ons steeds vrolijk besluiten: Ben ik door de wereld gehaat, ik ga tot mijn Vader, van Zijn liefde ben ik zeker. Welaan, met Hem kan ik tevreden zijn. Tegen alles helpt mij de liefde mijns Vaders. Laat ons dan op Hem blijven zien en zingen van Zijn liefde!

Dit betuig ik u echter: Van zulk een liefde kan geen voorraad voor het vlees opgedaan worden. Men komt niet in de binnenkamers van zulk een liefde, wanneer men meent, op deze liefde vrij te kunnen zondigen. Zij, die zulk een liefde op prijs stellen, zijn de ellendigsten, de armsten. Zij zijn waarlijk arme zondaren, maar zij dorsten naar gerechtigheid, naar heiliging en verlossing van hun zonden.

Zij zijn verbrijzeld, verbroken, verslagen, doorwond, maar daarom juist kunnen zij niet anders dan zich in hun nood aan deze liefde overgeven, zodra die hun geopenbaard wordt. Daarom houden zij aan bij de Heere, en laten niet af van bidden en smeken, totdat zij het Woord van Zijn liefde gevonden hebben. En dan geloven zij het van ganser hart. Want zij kunnen niet anders. Ontwaakt, wie slaapt, opdat hij bevonden zij in deze gemeenschap van de liefde van de Vader, Die liefheeft, niet omdat Hij iets in ons gevonden heeft of vindt of zal vinden, maar omdat het alzo Zijn welbehagen is.

AMEN.


http://www.derokendevlaswiek.nl